maandag 19 januari 2015

Voedselveiligheid

Onlangs werden er weer eens enkele duizenden gezonde kalveren geruimd door de vondst van het stofje furazolidon in voer en één van de afbraakproducten ervan, 3-amino-2-oxazolidon (AOZ) in urine van de kalveren. De partijen zijn het erover eens dat de aangetroffen hoeveelheden giftige stof dermate laag zijn dat vlees van de kalveren geen aantoonbaar gevaar voor de volksgezondheid zou opleveren, maar er geldt nu eenmaal een nultolerantie voor deze stoffen: er mag niets van in de voedselketen terechtkomen. Dus werden de kalveren vernietigd. En zoiets gebeurt herhaaldelijk, want niet alleen komt er wel eens furazolidon in veevoer terecht, maar er zijn meer stoffen waarvoor een nultolerantie geldt, zowel synthetische als natuurlijke zoals radioactief-vervalproducten.

Is deze strenge regel billijk? Nee, stelt de sector; er moet een discussie over op gang komen. Want de nultolerantiewetgeving is verouderd omdat ze is gegrond op oude, grove meetmethodes waarmee kleine hoeveelheden giftige stof niet konden worden aangetoond.
En daar is veel voor te zeggen. Naar de consument toe wordt het argument gegeven dat voedselveiligheid voorop staat. Daarbij zijn echter twee kanttekeningen te maken. Ten eerste zijn we in ons veilige Nederland wel een beetje doorgeslagen met onze bezorgdheid over voedselveiligheid; hoe vaak gebeurt het niet dat hier één of ander 'vervuild' product uit de schappen gehaald moet worden en vernietigd terwijl we een groot deel van de wereld laten creperen? Ten tweede ligt de ondergrens van toelaatbare stoffenconcentraties vaak onrealistisch laag en heeft vaak weinig te maken met gezond verstand.

De oplossing lijkt simpel: overtuig de politiek hiervan opdat de wet wordt aangepast en in plaats van een nultolerantie voor bepaalde stoffen een redelijke ondergrens vastgesteld wordt.
Zo eenvoudig is het echter niet, betoogt Dirk Strijker in de Boerderij.
"Het gaat vaak om internationaal vastgelegde afspraken, en die zijn niet maar zo te veranderen. Dat heeft soms een beetje met bureaucratie te maken, en veel meer met iets anders. Niet iedereen heeft namelijk belang bij zo'n aanpassing. In het algemeen gaat het dan om 'concurrenten'. Sectoren die op de vleesmarkt met kalfsvlees concurreren zullen het best vinden dat de kalverhouderij een extra probleem heeft. En clubs die tegen kalfsvleesproductie zijn zullen het ook best vinden. En producenten die een heel andere productiewijze hanteren waardoor bij hen zo'n stofje niet gevonden kan worden, die hebben evenmin belang bij een aanpassing. Landen die nauwelijks kalfsvlees produceren, en wel concurrerende vleessoorten, of die een andere productiewijze hebben, zullen een aanpassing van de norm proberen tegen te houden."

Vooral door dat laatste lijkt er voor Nederlandse boeren nog nauwelijks toekomst te zijn, doordat de Nederlandse regels veel strenger zijn dan die in de meeste andere landen, ook die waarvandaan levensmiddelen worden ingevoerd; zonder dat daar wat tegenover staat.
Toch zou de overheid het belang van de in-standhouding van de Nederlandse boerenstand moeten inzien en voorkomen dat er over vijftig jaar nog slechts een handjevol megabedrijven over is – die misschien wel "veilig" voedsel produceren maar op gespannen voet staan met natuur en landschap – en behoort een zichzelf respecterende landsregering in staat te zijn de druk van het bedrijfsleven te weerstaan als het in het belang van het recht is. Kortom: dit zou wel eens een lakmoesproef kunnen worden voor hoe onpartijdig de politiek is.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen