maandag 5 juni 2017

Graancirkels, wie maalt er nog om? (afl. 4)

Laat in de zomer van 1992 trekt een groepje van drie cirkelmakers, na de nodige voorbereidingen aan de tekentafel, tegen de nacht een Engels graanveld in via de trekkersporen, zet met een lint de hartlijn van de bedachte formatie uit en tijgt aan de arbeid. Na een uur staan de mannen even de vorderingen te bespreken als een vreemd verschijnsel hun aandacht trekt. Een oranje bol ter grootte van een voetbal hangt bewegingloos een meter of twaalf boven het maaiveld. Na een paar seconden daalt de bal en vervaagt, totdat hij onzichtbaar is geworden. Als het dag is geworden is er van de lichtbol geen spoor. Wel blijken er dat jaar veel lichtverschijnselen te zijn gemeld, en de graankunstenaars vragen zich af: zijn we getuige geweest van een natuurverschijnsel of werden we geobserveerd door de echte cirkelmakers?

Lichtbollen, vaak kortweg aangeduid met de Engelse term "orbs", vormen een uiterst raadselachtig fenomeen. Op foto’s – vaak digitaal, maar ook wel analoog – worden regelmatig witte vlekjes aangetroffen die tijdens het fotograferen niet waargenomen werden en die ook niet te verklaren zijn uit fouten in de apparatuur (fotograaf Ed Vos analyseerde bijvoorbeeld zeer veel foto's voor zijn boek Orbs en andere lichtfenomenen). Soms worden ze zelfs gefilmd (onder meer door de Fransman Pierre Beake) en af en toe zijn ze ook met het blote oog te zien; vooral in het donker, krijg ik de indruk. Vaak zijn ze wit, maar ook geel, oranje, rood en paars komen voor.
Deze lichtbollen – die overigens niet altijd perfect bolvormig zijn – lijken echter niet overal voor te komen, maar zich te concentreren op bepaalde plekken, "krachtplaatsen" – plaatsen in het landschap waar in veel gevallen in voorchristelijke tijd al een heiligdom of ander heidens cultisch centrum was; Stonehenge is een beroemd voorbeeld, evenals het Witte Paard van Uffington en de steencirkel van Avebury. Maar zulke krachtplaatsen komen niet alleen in Engeland voor, want ze zijn wereldwijd.
Wichelen – prachtig woord, "wichel" – blijkt een eeuwenoud gebruik te zijn dat onder andere toegepast werd bij het kiezen van de juiste plaats voor een heiligdom – niet toevallig blijken dergelijke plaatsen gewoonlijk te liggen op een kruispunt van energiebanen. Het bleek zelfs zo te zijn, dat een reeks oude heidense heiligdommen in Engeland op een lijn bleek te liggen, een verschijnsel dat over de hele wereld bleek voor te komen. In de tweede helft van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, een tijd waarin voor dergelijke vaagheden in wetenschappelijke kring geen ruimte meer was, slaagden onderzoekers erin dit oude patroon uit de vergetelheid op te diepen, totdat de bevindingen in 1921 opeens vorm kregen voor de ogen van Alfred Watkins. Op een zomerse dag reed hij te paard door de heuvels van Zuid-Engeland, toen voor zijn ogen plotseling het landschap veranderde. Op de grond verschenen vurige rechte lijnen, een rechthoekig patroon vormend over de heuvels en door de dalen zover het oog reikte. Op de meeste van de kruispunten stond een oude gewijde plaats – heiligdom, steenkring, grafheuvel, kasteel of zelfs kerk. Toen verdween het beeld weer.
Atkins verbond aan deze energiebanen het oud-Germaanse woord ley – gereinigde grond.

Volgens deze tekst uit Schaduw van de werkelijkheid (zie hiernaast) liggen de krachtplaatsen dus op een kruispunt van leylijnen. Weer zoiets raadselachtigs. Bestaan die leybanen echt? Vele paranormaal begaafden zijn overtuigd van wel. Niet toevallig plaatsten de oude Kelten en Germanen, met hun sjamanen, hun heiligdommen op een plek waar nu de wichelroedes uitslaan en verschijnselen als lichtbollen worden waargenomen.

Centra zijn gemeld in alle provincies; bijvoorbeeld onder de OLV-toren in Amersfoort, de plaats waar destijds de torens van de Salvatorkerk in Utrecht verrezen (nabij de Domtoren), de Cunerakerk in Rhenen, de Koningstafel op de Grebbeberg, de Duivelsberg bij Beek-Ubbergen, meerdere plaatsen in Ede en nogal wat in Drenthe, veelal op of nabij de plaats van een hunebed.
De Duivelsberg draagt die naam niet voor niets. Volgens oude verhalen spookte het er, er werden geesten en lichten gezien. Vreemde lichtverschijnselen zijn trouwens eveneens elders waargenomen, ook in ander verband. Wat bijvoorbeeld te denken van de spaaklichten op zee, die over de hele wereld worden waargenomen? Of de volksverhalen van brandende strobossen die jarenlang 's nachts werden waargeno-men nadat een boer zelfmoord had gepleegd; of dat verhaal uit Opende in de noordelijke provincie Groningen –
“Elke oavond om tien uur kwam der altyd in groat licht answeven by de Leidyk. Mem sei dan: "Wat kan dat toch sijn", want doar was in heel groat gat. Doar kon noait wat overheen rijdn. Dat licht kwam de kant fan Mearum Ășt weg. Loater kwam de tram doar langs presys in deselfde tyd 's oavends tien uur. Dat het dat licht toen west.”
Een voorspellende intelligentie?

Tot zover Schaduw van de werkelijkheid. De vraag dringt zich op: vormen de aardenergiebanen een schaduw van de werkelijkheid? Een verbinding met een paralelle werkelijkheid misschien? Of gewoon een nog onverklaard natuurverschijnsel? Dat ze domweg verbeelding zijn is volgens mij niet vol te houden. Maar leybanen en lichtbollen onttrekken zich (vooralsnog) aan natuurwetenschappelijke toetsing, en dat is mede wat ze zo boeiend maakt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen