maandag 16 februari 2015

Zuurstofgebrek door te harde kozijnen (inleiding)

De longen van de wereld worden weggevreten

Knysnabos, Zuid-Afrikaanse zuidkust, negentiende eeuw. Na dagenlang hakken heeft een kleine houthakkersploeg een zorgvuldig uitgekozen woudreus geveld. Na nog eens een week zwoegen is de boom verzaagd, opgeladen en door de ossen het bos uit gesleept, naar de werf van de houthandelaar. Die keurt de zware vracht eersteklas geelhout, besluit dan dat er geen vraag meer is naar geelhout maar naar stinkhout en keert het loon uit: tegoedbonnen voor een beetje meel, suiker en koffie.
Het lijkt het slechte begin van een sprookje, maar het is historisch. De Afrikaanstalige houtkappers die vele generaties in het bos gewoond hadden en er hun bestaan uit haalden, die elk paadje, elke diersoort en elke houtsoort in het oerwoud kenden, werden tegen het einde van de negentiende eeuw door de machtige houthandelaren zover uitgeknepen dat ze meer bomen moesten kappen dan goed was voor het bos, en nog honger leden. Intussen werden hen door een nieuw opgezette natuurbeheersinstantie steeds meer beperkingen opgelegd. Tot overmaat van ramp werd er midden in het woud een houtzagerij gebouwd die geen enkel respect had voor het bos en het gekke was dat die door het bosbeheer geen strobreed in de weg werd gelegd. Uiteindelijk werden de houthakkersgezinnen die nog in het bos overleefden verbannen naar het blikplaten kampdorp Karatara, vertelt schrijfster Dalene Matthee, omdat ze het bos heetten te verwoesten.

Heel wat medicijnen, specerijen, eetbare planten en vruchten en bijvoorbeeld rubber komen oorspronkelijk uit tropische oerwouden. Hoewel ze nog geen 7% van het aardoppervlak bedekken zijn tropische regenwouden goed voor een derde deel van onze zuurstofvoorziening, en voor de helft van het aantal planten- en diersoorten.

Per jaar wordt vijf- tot zesduizend vierkante kilometer van het Zuid-Amerikaanse Amazonewoud gekapt. In Afrika en Azië staat het er niet veel beter voor, zodat er wereldwijd per jaar een oppervlakte van drie keer Nederland aan tropisch regenwoud wordt gekapt; dat komt neer op meer dan veertigduizend hectare per dag.
De gevolgen laten zich raden. Steeds meer planten en dieren sterven uit, sommige nog voordat ze ontdekt zijn – dat wil zeggen door westerlingen, want de indianen en andere oerwoudstammen kennen hun leefgebied door en door. Ze halen er hun gereedschappen en bouwmaterialen uit, hun voedsel én hun geneesmiddelen. En toch helpen velen van hen tegenwoordig mee hun oerwoud te vernietigen.
Waarom deze verwoestingen? Heel eenvoudig: It’s all about the money… Arme inboorlingen zien de westerse spullen en gemakken van hun buren en willen die ook hebben. Westerse bedrijven zien goedkope grond om geld op te verdienen; bijvoorbeeld om palmen te verbouwen voor goedkope palmolie. Westerse burgers willen hardhouten kozijnen en dat hout groeit eigenlijk alleen in de tropen, en bepaald langzaam.
En dus gaat de houtkap door. Met alle gevolgen van dien. De dunne bovengrond op hellingen waar eens oerwoud groeide spoelt weg door erosie en de landbouwgrond wordt onbruikbaar. Een door ontbossing veroorzaakte vampierenplaag in Peru kost inmiddels vele mensen het leven: in dezelfde nacht door bloedverlies of enkele dagen later door hondsdolheid.

Hoe lang kan dit nog voortduren?
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen