maandag 21 december 2015

Schepping en evolutie (10): Fossielen [a]

,,Je zou nog wat praten over fossielen.”
,,Goed onthouden. Luister, fossielen vertellen een verhaal; ze spreken nog nadat ze gestorven zijn, zogezegd; alleen nu niet meer verstaanbaar voor soortgenoten, maar slechts nog voor mensen – eén búítengewoon voorrecht valt ons ten deel. Maar zonder gekheid: fossielen spreken een taal. Om te horen hoe die klinkt moet je Le carnival des animeaux van Saint Saëns luisteren. En om erachter te komen hoe je dat moet vertalen moet je je oor te luisteren leggen bij paleontologen.
,,Alleen is het jammer dat die het er niet over eens zijn wat de fossielen nu eigenlijk zeggen. Toen Champollion de Egyptische hiërogliefen ontcijferd had is er voor zover ik weet nooit iemand opgestaan die beweerde dat hij ze volledig verkeerd vertaalde. Maar met de fossielen is het een ander verhaal.
,,Ook op dit gebied zijn er met name twee strijdige lezingen van het fossiele verslag. Je weet dat een fossiel een versteend overblijfsel is van een organisme uit vroeger dagen. Een hele plant, een dierenskelet, losse botten, een lichaams- of pootafdruk, noem maar op, te vinden in aardlagen oftewel rotsmassieven. Volgens het uniformitarisme van Lyell zijn alle aardlagen geleidelijk ontstaan, dus moeten ook te fossiliseren planten en dieren in de loop van vele jaren zijn bedolven en versteend.”
,,Maar dat gelooft bijna niemand meer.”
,,Klopt, en terecht. De geologie laat onder druk van het feitenmateriaal steeds meer catastrofen toe. Maar het evolutionisme van Darwin staat nog overeind, zij het ook met de nodige aanpassingen. Alleen, hoe bewijs je die theorie? Volgens sommigen, zowel tegenstanders als aanhangers, is dat moeilijk; de biologische moeilijkheden voor de evolutietheorie zijn groot, maar het fossielenarchief schijnt hoop te bieden. Professor C.O. Dunbar schrijft: "Fossielen vormen de enige bewijzen dat het leven zich heeft ontwikkeld van simpele tot meer en meer complexe levensvormen."
,,Wat zeggen nu de fossielen? Volgens deze lezing dat het leven zich ontwikkelde van eenvoudig eencellig tot ingewikkeld veelcellig; in de loop der tijdperken verschenen steeds ingewikkelder levensvormen. Dat blijkt uit de fossiele vondsten: hoe dieper in de aarde – dus hoe ouder – hoe eenvoudiger de gevonden organismen. De evolutionaire stamboom komt overeen met het fossielenarchief. De volgende stap is, om aan de hand van die stamboom de ouderdom van een bepaalde aardlaag vast te stellen. Daarvoor heb je gidsfossielen, die kenmerkend zijn voor een bepaalde periode in de aardgeschiedenis. Zo schreef de paleontoloog Schindewolf in 1957: "De enige chronometrische schaal die in de geologische geschiedenis te hanteren is voor de stratigrafische (…) klassificatie van gesteenten en voor de datering van geologische gebeurtenissen, wordt verschaft door de fossielen. Dank zij de onomkeerbaarheid van de evolutie bieden zij een ondubbelzinnige tijdschaal”. Dit is echter een cirkelredenering: evolutie bewijs je uit de paleontologie, en de paleontologische relatieve datering haal je uit het evolutiemodel. Ter ijking van de dateringen worden daarom ‘absolute’ dateringsmethoden toegepast, zoals de radiometrie, die zoals we zagen nogal problematisch is. Andere dateringsmethoden, zoals aan de hand van warven, zijn niet beter en gaan bovendien niet zo ver terug in de tijd. Kortom: het blijft een wankele basis, reden waarom blijvend grote waarde wordt toegekend aan gidsfossielen. Maar helaas, ook die zijn bepaald niet feilbaar. Zo is de verspreiding van een belangrijke groep gidsfossielen, de foraminiferen, slecht bekend. Daar komt bij dat er veel variatie blijkt te zijn binnen de soort en dat de taxonomie vaak werkt op grond van laag in plaats van kenmerken, dus weer die cirkelredenering.
,,En hoe kan het dat, om maar enkele soortgroepen te noemen, kevers en libellen sinds het Perm (‘ouder dan 250 miljoen jaar’) niet wezenlijk zijn veranderd; haaien en longvissen sinds het Devoon; mossels, zeesterren en wormen sinds het Ordovicium; en wieren, bacteriën en schimmels sinds het Precambrium ongeveer hetzelfde zijn gebleven? Meer dan een half miljard jaar, dat is toch best lang. En nog gekker: coelacanten en de Brughagedis zouden al sinds het Krijt uitgestorven zijn, maar blijken springlevend. Neopilina komt niet voor tussen het Devoon en nu, en Lingula zou in het Ordovicium zijn uitgestorven, maar leeft. En zo zijn er nog veel meer levende fossielen. Geheimzinnig raadsel.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen