maandag 23 november 2015

Schepping en evolutie (6): Celbiologie

,,Kijk je nu naar de bestaande levende cellen, dan vind je daar nog meer aanwijzingen voor de onmogelijkheid van een spontaan ontstaan van dit alles. Bij wat je waarneem bij ras- en soortvorming die we uit onze tijd kennen is namelijk veeleer sprake van informatieverlies. Zeker als er mutaties in het spel zijn, want die maken door herschikking van het erfelijk materiaal de te vormen eiwitten onbruikbaar: 99% van het aantal mutaties is ongunstig, van de rest het overgrote deel neutraal en de weinige gunstige worden weer ongedaan gemaakt door andere en doen hoe dan ook geen nieuwe informatie ontstaan. Niet toevallig lijkt het genoom dan ook doelbewust ontworpen om mutaties te bufferen; bij een mutatie in een essentieel gen kun je fluiten naar levensvatbare nakomelingen. Het wordt een tamelijk technisch verhaal, maar ik wil in deze beperkte ruimte zo veel mogelijk zaken benoemen, in de hoop je te overtuigen… Maar uiteraard kan ik lang niet alles opsommen. Schroom niet te reageren als ik niet helder ben of me vergis.
,,Dan is er nog de zogeheten paradox van de multigene familie. In de reservekopieën die de cel maakt van het genoom blijken vrijwel geen mutaties voor te komen. Ra-ra-raadsel. En er zijn nog veel meer raadsels. Hoe kan het bijvoorbeeld dat de Brughagedis genetisch zeer snel is veranderd maar toch uiterlijk volgens de theorie miljoenen jaren lang onveranderd is gebleven? En dan ‘convergente evolutie’: meermalen ‘onafhankelijk ontwikkelde’ organen, zoals het gehoororgaan van insecten, vleugels bij wandelende takken, het anti-vriesgen bij bepaalde kikkers en het vermogen om nieuwe geluiden te leren (mens, vleermuizen, olifanten, zeehonden, walvisachtigen; kolibries, papegaaien en zangvogels). De Nederlandse bioloog Peter Borger geeft hier een betere verklaring voor: niet-willekeurige mutaties op brandpunten in het genoom; voor de details moet je zijn boek Terug naar de oorsprong lezen.
,,De kans dat eiwitten uit elkaar kunnen ontstaan blijkt verwaarloosbaar klein. De kans dat de herkenningseiwitten op een eicel en die op een zaadcel tegelijk veranderen en zo kans bieden tot het ontstaan van een nieuwe soortgroep is niet veel groter. Grootschaliger is het probleem van onherleidbaar complexe systemen, organen die zo ingewikkeld zijn dat ze niet meer werken wanneer slechts één onderdeeltje ontbreekt; van het HARIF-gen via de bacteriezweepstaart en het bloedstollingsstelsel tot het menselijk brein. Vervolgens blijkt uit genetisch onderzoek dat er in levende wezens de neiging bestaat tot vereenvoudiging en verlies aan informatie. Zo kan een bacterie devolueren tot een virus (het Mimivirus is waarschijnlijk zo ontstaan), proeven pinguïns steeds minder, is de zoetheidreceptor bij roofdieren uitgeschakeld en blijken fluweelwormen eenvoudiger dan wat beschouwd wordt als hun voorouder. Het grote onderzoek van Lenski onlangs aan darmbacteriën, dat evolutie moest bewijzen, onderstreept het nog eens.”
,,Jaja.”
,,Jazeker. Dacht je van niet?”
,,Ik zei toch "ja"?”
,,Akkoord. Ten slotte is er nog het onderzoek naar de genetische verwantschap van organismen. Immers, het leven moet zich via een boom aan vertakkingen hebben ontwikkeld vanuit een oerorganisme via de laatste gemeenschappelijke voorouder (LUCA: Last Universal Common Ancestor) tot de hedendaagse soorten. Daar moeten dan zeker genetische bewijzen voor te vinden zijn. Eén van die mogelijke bewijzen vormt het eiwit cytochroom c, dat bijna alle levende wezens bezitten. Het verhaal wil dat hoe meer verwant twee soorten zijn hoe meer beider cytochroom overeenkomt. Er blijken echter vreemde uitzonderingen te zijn, die meestal verzwegen worden; zo lijkt het cytochroom c van de ratelslang meer op dat van de mens dan op dat van andere reptielen. Verder blijkt dat op basis van cytochroom c er duidelijke grenzen tussen soortgroepen bestaan. Vreemde onderlinge verbanden verschijnen ook tussen mens en hond (genoom), mens en fruitvlieg (histon 4) en juist niet tussen mens en chimpansee (mens, gorilla en orang-oetan bezitten het nucleïnezuur Alu HS6, maar de chimpansee niet). In onderzoek aan gisten blijkt er geen enkele afstammingslijn te ontdekken.
,,Vreemd genoeg hebben alle hogere organismen ruwweg hetzelfde aantal genen, rond de twintigduizend. Alle organismen blijken slechts 60 genen gemeenschappelijk te hebben. Dit is echter veel te weinig voor een gemeenschappelijke voorouder om te kunnen overleven. Alles bij elkaar zou Luca complexer moeten zijn dan de huidige organismen, en dat is moeilijk te verkroppen, schrijft bioloog Whitfield. De conclusie luidt dat Luca als zodanig nooit heeft bestaan, maar moet worden beschouwd als een soort genenpoel met onderlinge uitwisseling, van een groep oerorganismen. Dat maakt de opgave er voor darwinisten zeker niet gemakkelijker op, maar het kan het model tenminste een tijdje redden...”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen