maandag 18 januari 2016

Schepping en evolutie (14): De betrouwbaarheid van de Bijbel [a]

,,Evert, ik zeg het nog een keer: jij baseert je geloof op een heilig boek, één van de vele heilige boeken, en zeker geen natuurwetenschappelijk handboek of anderszins wetenschappelijk betrouwbare bron.”
,,En ik herhaal: de natuurwetenschappelijke theorie die ik aanhang is niet zozeer gebaseerd op de Bijbel als dat de feiten ermee in overeenstemming blijken te zijn; hoewel het wetenschappelijk gezien geen enkel bezwaar is als het idee voor een theorie uit een heilig boek komt: de eerder genoemde Karl Popper maakt onderscheid tussen context van ontdekking, die bijvoorbeeld ook een droom mag zijn (zoals bij de ontdekking van de benzeenring) en context van toetsing, waarvoor wetenschappelijk verantwoorde experimenten nodig zijn. De Bijbel is geen natuurwetenschappelijk handboek, maar een geschiedenisboek; en wel een bijzonder betrouwbare. Bovendien is de Bijbel niet zomaar één van de heilige boeken, maar een unieke; dat zal ik duidelijk maken.
,,Kijk. Een levenswetenschap die vele miljoenen jaren nodig heeft en daarbij steunt op een geologie die over miljarden jaren gaat, kan zich slechts baseren op bodemvondsten en waarnemingen in onze tijd. Dat is de moeilijkheid voor het evolutionisme. Een levenswetenschap die slechts enkele duizenden jaren nodig heeft zou in theorie daarnaast gebruik kunnen maken van schriftelijke bronnen. Dat is het voordeel (niet de verdienste) van het creationisme. Nu blijkt dat de meeste oude geschriften niet veel houvast bieden ter ondersteuning van de theorie. Er is echter één grote uitzondering: de Bijbel. Dat is namelijk niet zomaar een heilig boek vol mythen en vaagheden, maar beschrijft een zeer groot aantal gebeurtenissen die ondersteund worden door controleerbare feiten. Sommige alleen in die tijd, zoals dat de oorspronkelijke bewoners van Mo’av de Emieten en de Zamummieten waren (Deuteronomium 2); of dat de bron Lechi ten tijde van schrijven nog bestond (Rechters 15). Sommige dingen echter zijn nog steeds controleerbaar, en dat worden er naarmate archeologisch onderzoek voortschrijdt hoe langer hoe meer. Ooit werden bijbelverhalen over de Kana’anieten, Hethieten en Edomieten door de gangbare wetenschap, met in deszelfs voetspoor kortzichtige (Van den Beukel zegt: doodsbenauwde) moderne theologen, afgedaan als verzinsel – totdat aangetoond werd dat die volken daadwerkelijk hebben bestaan. De regeringstijden van de Jisraëlitische koningen zoals die in Koningen en Kronieken staan worden bevestigd vanuit Assyrië en Babylonië (kleine verschillen blijken te berusten op het feit dat de Assyriërs een andere kalender gebruikten dan de Joden). Volledige vergelijking lukt niet – zo gaan de Assyrische gegevens niet terug tot de tijd van Davied, maar om dan te redeneren dat dat gedeelte dus fictie is, is net zo naïef als het afdoen van bolbliksem als onzin zolang er geen verklaring voor was.
,,Goed, de mogelijkheid blijft natuurlijk dat een deel van de bijbelverhalen verzonnen is, zeker die over de oudste tijden, ware het niet dat er aanwijzingen zijn dat ze zowel zeer zorgvuldig te boek gesteld zijn als dat ze kennis bevatten die boven die van die dagen uitstijgt.
Om te beginnen wordt vaak beweerd dat Mozes (Moosjè) niet de schrijver kan zijn van Genesis en dat (dus) het zondvloedverhaal van Gilgamesj het oudste is en het bijbelse verhaal daarop gebaseerd. Dat is echter onjuist. Ten eerste is het Gilgamesj-verhaal natuurwetenschappelijk gezien onzin en het Bijbelverhaal betrouwbaar – de kubus van Utnapisjtim noemde ik vorige week – en ten tweede blijkt bij zorgvuldige lezing van Genesis dat het is opgesteld vanuit oude ooggetuigenverslagen op een kleitablet: de afsluitende regel meldt steeds de schrijver; meestal steeds één per tijdvak, maar het zondvloedverhaal blijkt te zijn samengesteld uit drie verschillende verslagen, namelijk van Sjeem, Cham en Jafeth (Genesis 10:1, bij het verkeerde hoofdstuk geplaatst). Dit verklaart ook dat er in Genesis bepaalde oude Babylonische woorden schijnen voor te komen die elders in de Bijbel ontbreken. En het feit dat Moosjè de schrijver was verklaart de Egyptische woorden en uitdrukkingen in de Toraa en de ingewijdenkennis over Egypte die uit Exodus blijkt. Toch nam deze aan het hof van de farao onderwezen schrijver de Egyptische cultische regels niet over. Dat brengt ons bij het derde punt: hij kreeg van zijn God Jahweh richtlijnen door die hij haast blindelings doorgaf aan het volk. Maar het wordt al laat; ik stel voor dat we daar volgende week over doorpraten.”
,,Mij best.”


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen