maandag 28 september 2015

Spatie te veel

Michiels reactie op De kracht van de komma noopt me om een bijdrage te wijden aan overtollig spatiegebruik, al ben ik (in tegenstelling tot wat het geval is met veel van mijn artikelen) bij lange na niet de eerste die hierover publiceert. Maar zo lang al die polemiek en humor nog niet de gewenste uitwerking blijken te hebben ben ik er niet wars van hier een bijdrage aan te leveren.
-        Oude pijpen stelen doosje – Een krantenkop? Nee, een advertentie.
Die heb ik dan nog zelf bedacht, maar de volgende zijn werkelijk 'in het wild' aan te treffen (geweest):

-        Personeel gevraagd door uitvaartorganisatie: Overleden verzorger
-        Haar gel. Hè? Ik stond toch bij het mannenschap?
-        Eerste foetus hoogleraar. Hoe is het mogelijk!
-        Geniet van de herfst incl. wild diner op de Veluwe! Doe je mee?
-        Boerderij Bus. Waar ligt die en wat voor dieren hebben ze er?
-        Het weidemelk garantiezegel – een garantiezegel gemaakt van weidemelk?!
-        Glasvezel weken! Ja, lachen. Kijken of het dan nóg sneller wordt.
-        Ik geef u een veeg bewijs. Aldus de schoorsteenveger.
-        Artillerie Schiet Kamp. Oorlog!
-        2e kleding stuk, voor de helft. Bij die winkel moet je zijn!
-        Ruimtegebrek? Ga naar kamer 1164: Kopieer ruimte.
-        Vakantie plannen? Huur een camper! Die kan je helpen met je agenda.
-        Eenvoudige opdracht bij tekening: Zoek plaat.
-        Enkel sloffen. In de hele mand niets dan sloffen.
-        Oproep in de videowinkel: Film actie.
-        Knuffel kussen dieren. Hoe doe je dat dan?
-        Hoed je voor baby’s – naaipatroon of waarschuwing?

Of koppelteken vervangen door spatie dan wel afkortteken te weinig:
-        Verdwenen woordenboek. Spijtig.
-        Ongewenste dierenverdrijver. Kun je kopen.
-        Kwaadaardige software-expert. Komt je helpen.
-        Oude kaassoufflé €1,80. Goede cafetaria.
-        Rode wijnglazen. Maar vreemd, ze zijn helemaal niet rood.
-        Niet alleen glazen, er is ook een zoete witte wijnprofessor.
-        Elders loopt een rare plantenkweker rond.
-        Montagehandleiding: Maak de achterkant van de spiegel en de ondergrond vet en stofvrij. Dat is vreemd…
-        Advertentie: Mooie gebruikte dames, heren en kinderfietsen (2e hands)
-        Te koop wordt onder meer aangeboden: Meerdere personen en bedrijfsauto's
-        In een paramedische praktijk kun je dit krijgen: Pijnlijke lichaamsbehandeling en ongezonde meridiaanmassage. Kost nog geld ook.
-        Laagste prijsgarantie. Lijkt me antireclame.
-        Oproep van hulporganisatie: Geef de Giryama kinderen…
-        Juf is ziek boekje. Maffe kleuterschool dan.

Rare ‘uit elkaar trek gewoonten’ van mensen die onze taal niet goed (meer) begrijpen. Kijk voor meer aardige voorbeelden op www.spatiegebruik.nl, waar ook enkele van bovenstaande ‘overtollige spatie gevallen’ vandaan komen.

Overigens komt het omgekeerde ook voor: aanelkaarplakken van woorden door weglating van spatie; ook daar kun je leuke effecten mee bereiken: "Leerlingen kunnen goed van een scherm afleren." Maar dat is een ander verhaal.

dinsdag 22 september 2015

De kracht van het Nederlands

Laatst kwam ik in Lunteren, waar ik moest wachten voor de spoorwegovergang. Opeens klonk het gebruikelijke gerinkel zwakker, leek uit te doven, maar leefde toch weer op. Wat was er aan de hand? Schijnbaar waren de spoorwegovergangrinkelbellenbatterijen bijna op. Dat is althans de kortst mogelijke verklaring; je kun er natuurlijk voor kiezen om hetzelfde te zeggen met meer woorden ("Het leek erop dat de batterijen van de rinkelende bellen bij de overgang over de spoorweg bijna leeg waren"), maar dat is in onze gehaaste tijd niet altijd wenselijk. Een taal als het Engels ontkomt er niet aan; die bezit mede dankzij het Frans een groter aantal woorden dan het Nederlands en heeft zo vele uitdrukkingsmogelijkheden, maar in tegenstelling tot het Nederlands en het Duits heeft zij nauwelijks de mogelijkheid om woordsamenstellingen te maken. In veel gevallen wordt een samengesteld begrip geschreven als losse woorden, wat de leesbaarheid misschien vergroot, maar de duidelijkheid bepaald niet. Om een voorbeeld te noemen: wie is in "a big animal hunter" groot – het dier of de jager? Of is hier bedoeld dat de jager zelf een dier is? Daar kom je niet uit zonder een verhaal eromheen te lezen, wat bij bijvoorbeeld een fotobijschrift niet altijd mogelijk is. Daarom is het zo dom dat vandaag de dag ook in het Nederlands (door mensen met minder taalgevoel) steeds vaker samenstellingen los geschreven worden, met de gekste dingen tot gevolg – daar wil ik volgende week wat krasse voorbeelden van laten zien.

Maar onze taal heeft dus de mogelijkheid om lange samenstellingen te maken, feitelijk tot in het oneindige. De meeste, en vooral de langere, worden weinig gebruikt, vaak maar één keer. Zodoende zul je niet veel lange woorden in een woordenboek tegenkomen; zo is het langste lemma in de dertiende druk van Van Dale "onderzeebootbestrijdingsvliegtuig". Desondanks verschijnen in de media soms langere woorden, zoals "kindercarnavalsoptochtvoorbereidingswerkzaamhedendrukte". In de chemie behoren lange woorden zelfs tot het jargon; zo bestaat er een stof met de naam "N-ethyl-8-hydroxytetrahydrochropheenhydrochloride".

Overigens hoeft het maken van uitgebreide samenstellingen niet altijd een wetenschappelijke noodzaak te bezitten of een verkortingsdoel te beogen; zo noemt Battus (Opperlans) een "apotheker" liever een "gezondheidsherstellingsmiddelensamenvoegingskundige".
Bovendien is het niet uitgesloten dat er af en toe riviererwtenmosselzaadinvanginstallatiespecialistenopleidingsinstituutstoelatingseisenprogramma­makerskantoorinrichtingsspeciaal­zaak­medewerkerscursusvoorbereidingswerkzaamheden plaatsvinden. Als het niet gebeurd is kan het nog gebeuren.

De woordensamenstellingsmogelijkheid is de kracht van het Nederlands. Tot nut of tot vermaak. Of beide. Zo kan een nepnepparterrestaalplaatserretrappenpen nodig zijn om heen en weer gaan op de betreffende trap mogelijk te maken, en kun je op één van de beroemde tentententoonstellingen der Hottentotten soms hottentottensoldatententententoonstellingstentententoonstellingstenten aantreffen.


maandag 14 september 2015

Grenzen open voor de vluchtelingen?

Duitsland zet zijn beste beentje voor en vangt honderdduizenden vluchtelingen op. Sympathiek. Maar of het verstandig is is de vraag. Ja, voor zijn economie schijnt Duitsland immigranten nodig te hebben. Dat de meesten van die immigranten moslim zijn… tja, dat is even wennen, maar voorlopig kan het nog weinig kwaad.

De vluchteligen/asielzoekerskwestie speelt al langer, maar nu beginnen de vluchtelingenkampen in en rond het Midden-Oosten pas echt over te stromen en mensenhandelaren hebben de tijd van hun leven. Als zij daadwerkelijk een deel van hun inkomsten doorsluizen naar strijdende partijen als ISIL blijven ze verzekerd van werk… zo lang daar geen stokje voor wordt gestoken.
In mei geleden schreef ik er 'makkelijk' over: echte vluchtelingen opvangen, rest terugsturen. Is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan; toen, maar zeker nu. Ga er maar aan staan.
Maar wat moeten we dan doen? Alle vluchtelingen en andere landverhuizers met open armen ontvangen? De kranten staan vol zielige verhalen over vluchtelingen (soms zo dat alle nieuws van de voorpagina wordt verdrongen door sfeerverslagen uit de vluchtelingenkampen). Terecht? Als er niets te eten en te drinken is wel, maar er zitten genoeg klagers tussen. Kunnen wij makkelijk zeggen, want we hebben het nog steeds stukken beter. Maar – laat er aandacht komen voor de blijvers; dat zijn de helden of de echt zieligen, niet degenen die angstig wegvluchten (hoe begrijpelijk ook) en daar de mogelijkheden toe hebben.

Of moeten we de grenzen dichtgooien? Het zijn meest moslims die hierheen komen, en die hebben we evengoed al genoeg. Bovendien komen er waarschijnlijk terroristen mee met de bootvluchtelingen. Dit zullen er echter niet veel zijn, want de mensen die hier komen vluchten juist voor het geweld. Toch is het raadzaam om bij de grenzen strengere controles uit te voeren, zoals onder meer Duitsland sinds kort ook doet. Maar wellicht is er nog een andere mogelijkheid: de jonge mannen bewapenen om een veilig thuis te bevechten voor hun vrouw en kinderen; dat motiveert. Misschien moeten Europese legers hen dan voor die taak toerusten.

Volgens sommigen werkt het openstellen van grenzen mensensmokkelaars in de kaart. Wat doen we daartegen? Wel, het plan uitvoeren dat de EU uitwerkt om de marines in te zetten tegen de mensensmokkel. Laat dit uitgebreid worden naar de gehele Middellandse-Zeekust, zowel Noord-Afrika als het Midden-Oosten.

Het is flauw om na aanvankelijk te hebben bepleit de opvang van vluchtelingen eerlijk te verdelen over Europa nu te pleiten voor het dichtgooien van de grenzen. Dat doe ik dan ook niet, maar het is een gecompliceerde kwestie waarbij het zaak is voor- en nadelen van elke beslissing te laten meewegen.
Ik ben tegen een verenigd Europa. Toch ben ik niet voor Wilders en zijn egoïstische opvattingen. Ik vind daarom dat we als we vluchtelingen opvangen dat niet moeten doen omdat we deel uitmaken van de Europese Unie, maar uit barmhartigheid. Wat mij betreft stapt Nederland uit de EU maar vangt toch vluchtelingen op. Doch wel kritisch en met de uitdrukkelijke voorwaarde van tijdelijkheid.

Het is ingewikkeld. Is het mogelijk het mensensmokkelaarsnetwerk op te rollen? Hoe stel je bij individuele vluchtelingen vast of ze werkelijk hun leven op het spel hadden gezet als ze waren gebleven? Gaan de mannen terug om te vechten, kunnen zij dan vrede bewerkstelligen? Vangen we mensen op voor tijdelijk, komt dan er ooit een dag waarop het Midden-Oosten (en Noord-Afrika) weer veilig is?

Maar hoed u voor een eenzijdige (“Ach, wat zielig!”) laat-ze-allemaal-maar-hierheen-komen-reactie; en aan het andere uiterste voor een (“Er zitten allemaal terroristen tussen!”) angstreflex.

maandag 7 september 2015

Amerika draait door

"We're all living in Amerika" beweert Rammstein ironisch. Het is waar: wij hier in Europa hebben onze blik wel erg gericht op het westen, alsof daar alle goeds vandaan zou komen. En er kómt nogal wat uit Amerika, in het bijzonder de VS: techniek, al dan niet gewelddadige films en met die beide de taal, het Amerikaans Engels…  En zo tal van zaken meer, waar we op een later tijdstip nog wel eens bij zouden kunnen stilstaan. Het gekke is echter dat het nu lijkt alsof de Verenigde Staten van Amerika lange tijd iets hebben gemist dat wij hier in West-Europa,  en in het bijzonder in ons 'eigen' Nederland, al wel hebben, en dat ze nu gretig beginnen over te nemen: liberale wetgeving die heeft afgerekend met oude (joods-)christelijke normen. Het begon met de legalisering van het homohuwelijk, op 26 juni jl. Nu is in de VS het traditionalisme nog wel wat sterker dan hier; zo kon een radioverslaggever (Bryan Fisher) 26 juni 2015 op één lijn stellen met 9 september 2011: de tweelingtorens Waarheid en Rechtvaardigheid zijn opgeblazen door "morele jihadisten". En het moet gezegd worden dat een weldenkend mens een vieze smaak in zijn mond krijgt van het homoactivisme.

Hoe dan ook, met de wettiging van het homohuwelijk was het hek van de dam. "Met deze emancipatie van de homoseksuelen is de turbo aangezet en racen we op moreel terrein richting afgrond," zo citeerde het Commentaar in het Reformatorisch Dagblad afgelopen zaterdag een "christelijke opninieleider". En de voorbeelden liegen er niet om. Weet je, ik laat het hier nu gewoon bij; lees het Commentaar zelf maar.

maandag 31 augustus 2015

Stappenplan Streektaol

'n Hoop Nederlaandse streektaole he'n 't zunig. Da's groôte zund; mer daor hevve 't al over 'ehad – lees mien bericht van 9 februaorie en wat daoran veurof ging. Mer messchiejn he'je jeneige ok wel 's of'evraogd hoe of dat noe net in z'n waark gaot. Daor zuvve vandaog 's n'r kieken.
La've 't West-Veêluws weer 's as veurbeeld nemen; dat schrief ik en lees jie noe toch al. En ik v'rwacht dat 't mit de aandere streektaole krek allees gaot, dus je kun 't ziejn as een algemeên v'rhaol.

Je kun kieken n'r hoe de taol langzaom mer zeker achteruut'edrongen wördt: eerst raokt 't op de schôle vurt, dan op 't heêle daarp, en uuteindelijk ok op 't plattelaand – eerst scheien de jongere d'rmee uut, en dan nao vieftig jaor bin d'r zwat gien ouwere die 't nog kennen meer over. Da's de sôciaole kaant. An de taolkundige kaant zie je dat 't niet zwart of wit is, enkel of juust heel gien streektaol; 't gaot geleidelijk, of eigelijk mit stapjes. 'k Het 't dan over uut'esproken dialek; 'eschreven, zoas dit, kun je 't veul langer overend houwe, mer da's eer kunstmaotig. Noe – 't is netuurlijk v'rschil, de eên of de aander, hoe of 't net gaot, dus de volgorde kan sums net iets aanders uutpakken en 't loopt ok best iets deur mekaor, mer over 't geheel gaot de aftaokeling in de volgende stappen:

1.     Eige woorde raoken v'rgeten. Best kaans da-je dat in dit stukje al ziejn kun; en um ze op straot zo gauw bie de haand te hen, die echte Veêluwse woorde veur een kwak dinger, da's nog meuilijker veur degeêne die d'r niet van kiend af an mee v'rtrouwd bin.
2.     De zinsvolgörde wördt an'epast an 't Staandaordnederlaands. Hoeveul bin d'r nog die "jao, dat duuj mer" zège instee van "ja, doe dat maar"?
3.     De lange klinkers wörre in'ekört. "Daarp" wördt "darp", "laand" wördt "land".
4.     V'raanderde klaanke wörren an'epast an de staandaordtaolklank; onregelmaotige klaanke zoas in "puup" ('pijp') en "kirreltsje" ('korreltje'), dan veul veurkommende zoas "peerd" en "zeuke"; de ouwe klaank veur die amparte, taomelijk jonge Nederlaandse [ui] en [ij] 't lest: "huus" en "kiek" houwen 't lang uut.
5.     't Langste blieven de v'rkörtinge bestaon, beveurbeeld "an" en "kommen", mer ok uutdrukkings zoas "dat he'k" of "as 't zo is".

Eigelijks is dit mar een naor liesje van een streektaol die hoe langer hoe doôdzieker an 't wörren is. Mer je kun 't net zo goed achtersteveure lezen, as je weten wullen hoe veer of je al bin um je Veêluws weer te leren – waant je mot niet v'rgeten, as je greig zien dat je kiender d'r klasgenoôtjes veuruut kommen mit taol en zo d'r harses knap gebruken kun, da' je ze dan in 't Veêluws groôtbrenge motten zou, zodasse zo gauw ze op school komme al een tweede taol leren.
Noe dan:
1.     V'rkörtinge, die ken je al. Maak d'r gebruuk van.
2.     Veêluwse klaanke – gebruuk ze ok gerust op straot, op school, in de winkel, op je waark – je mag best groôts wezen op waar je vandaon kommen.
3.     De lange klanke maoken je uutspraok pas echt 'plat'; veural in de umgeving van Barreveld–Lunteren, veder n'r 't noorde v'rdwient dit trekje weer.
4.     Hier en daor mot je de volgörde van de woorde in een zin iets v'raandere; eigelijk ku'je dat 't beste leren deur veul mit echte dialeksprekers te praoten, die 't nog van binnenuut kennen.
5.     Intussen leer je dan ok die echte Veêluwse woorde en uutdrukkinge; in Evert en Betje staon d'r een hele kwak, mer je kun ok 's rondkieke op mijnwoordenboek.nl, beveurbeeld bie 't Lunters ('t leuke is dat je daor zelf ok dinger biezetten kun, alleên is 't naodeel dat een hoop die d'r woorden he'n toe'evoegd niet aarg op de juuste spelling 'elet he'n). Of je haol bie de boekwinkel 't Barnevelds woordenboek van Van der Giessen.

Veul schik d´rmee!

maandag 24 augustus 2015

Heidebrand goed voor natuur en landschap

Grootschalige bosbranden in Canada, Australië, Griekenland…  Rampzalig voor zowel de natuur als omwonenden. Maar dat wil nog niet zeggen dat een natuurbrand altijd slecht is. Integendeel. De natuurlijke graslanden in Zuid-Afrika worden in stand gehouden door een brand veroorzaakt door blikseminslag of hitte, die jaarlijks of om de paar jaar een grote lap veld in de as legt. Nu het land steeds dichter bevolkt raakt krijgen deze veldbranden vaak niet meer de kans zich te ontwikkelen, met als gevolg dat graslanden overwoekerd raken door bramen.
Het is eigenlijk eenvoudig: een brand brengt de successie – natuurlijke opeenvolging van begroeiingsvormen – terug bij af; en dat is niet de bedoeling voor een bos dat honderden jaren nodig heeft gehad om zover te komen. Maar dat is wel de bedoeling voor… een Nederlands heideveld. Als er niks gebeurt vergrast de hei, slaan er vliegdennen en berken op en wordt het bos. Omdat we bos genoeg hebben maar niet zoveel hei meer is dat niet wat we willen, dus moet de hei beheerd worden: begrazen, maaien en plaggen zijn gebruikelijk, maar een minstens even goede verjongingsmethode is branden. Vroeger gebeurde dit volop, maar net als in Zuid-Afrika zijn we er hier bang voor geworden en gebeurt het bijna nergens meer.
Alleen op het Artillerieschietkamp (ASK) bij Oldebroek en op een deel van het infanterieschietkamp bij Harskamp, waar plaggen door de aanwezigheid van onontplofte projectielen in de bodem te gevaarlijk is, daar is branden het standaard heidebeheer. Met als resultaat een mooie paarse hei, en bepaalde planten en dieren die gebaat zijn bij brandbeheer. Zoals het Korhoen; en daarom is het branden nu ook heringevoerd op de Sallandse Heuvelrug, zij het kleinschalig en voor de Korhoenders waarschijnlijk te laat.

Af en toe gebeurt het echter ook elders, zoals vorig jaar op de Hoge Veluwe, toen een groot stuk hei met wat bos afbrandde. De Wageningse hoogleraar Frank Berendse legde uit dat het eigenlijk wel goed was voor de hei. Alleen kleine dieren zoals slangen en hagedissen zijn vaak niet in staat aan het vuur te ontkomen, waardoor de reptielenpopulaties een gevoelige klap krijgen door een heidebrand; en als het in de broedtijd gebeurt worden er de nodige vogelnesten vernietigd. Maar dat zijn dan ook zo'n beetje de enige grote nadelen.

Beheersmatig heidebranden, zoals op het ASK, gebeurt dermate zorgvuldig dat het geen enkel gevaar oplevert voor de omgeving. Bovendien kan de beheerder dan zelf het beste tijdstip uitzoeken, afhankelijk van tijd van het jaar, bodemvochtigheid en windrichting. Misschien is het daarom beter om een natuurlijke brand, of een aangestoken brand zoals vorige maand op de Leenderheide, te voorkomen door beheersbranden weer in te voeren; misschien niet overal, maar toch op meerdere heidevelden. Met winst voor natuur en landschap.


vrijdag 14 augustus 2015

Lêchám la-sjaloom

Geen vrede zonder strijd
 
“Oorlog, droeve tijden”, pleegt mijn opa, die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt, te zeggen. Maar dat is nog veel te zacht uitgedrukt. Oorlog is een ramp zonder weerga, een verschrikking van zinloos lijden. Oorlog is het laatste wat we moeten willen, en dus… moeten we het leger maar afschaffen? Met als gevolg dat vijandelijke machten mét een leger vrij spel krijgen.
Soms kun je met onderhandelen een oorlog voorkomen. Soms niet. Dan rest er niet anders dan gewapenderhand de vrijheid te verdedigen.
 
Zeventig jaar geleden werd ons land bevrijd van de Duitse overheersing. Door pacifisten? Vanzelf niet. Amerikaanse soldaten kwamen in Europa hun leven opofferen – waarvoor? Om de democratie te redden? Welnu, dat is in het Midden-Oosten aan de orde. Niet om nieuwe democratieën te vestigen, maar om degene die er zijn te beschermen: Israël, Libanon – en Europa, want een agressieve Islamitische Staat is nooit verzadigd en zal als hij de kans krijgt doorstoten naar Europa. Hoe waardevol een democratisch bestuur ook is (of lijkt te zijn), een werkelijk edel doel kan ik het echter niet noemen. Maar wie de gebeurtenissen in het Midden-Oosten ook maar enigszins volgt krijgt edele doelen genoeg aangereikt. De nietsontziende terroristen van ISIL verwoesten kunstschatten en heilige plaatsen van zelfs hun eigen geloofsgenoten. Het voortdurend in het nauw gedreven Israël – "de Jood onder de naties" – dreigt er een nieuwe gevaarlijke vijand bij te krijgen. De Koerden en de druzen zijn bereid hun vrijheid met geweld te verdedigen, maar krijgen weinig hulp. En bovenal: de jezidi's en de christenen nemen geen wapens op – dezen ze het maar! – en worden op de vlucht gedreven of afgeslacht door de bloeddorstige horden. Als ik militaire ervaring had zou ik ernstig overwegen nu naar het Midden-Oosten af te reizen om mijn steentje bij te dragen aan de bestrijding van het ten hemel schreiende onrecht. De bescherming van hulpelozen, dat is een werkelijk edel doel dat het waard is om voor te sterven.
 
Zing een lied voor de vrede – Sjier la-sjaloom!

– lacheen lach sjieroe sjier la-sjaloom
al tielchasjoe têfielaa;
moetav tasjieroe sjier la-sjaloom
bê-tsee'aka gêdoolaa!
zing daarom slechts een lied voor de vrede
fluister geen gebed
beter te zingen een lied voor vrede
met een grote schreeuw

Soms is een gebed fluisteren niet genoeg, al moet je de macht van de God die gebeden hoort niet onderschatten. Soms echter is ook zingen niet genoeg en moet er gevochten worden voor de vrede – lêchám la-sjaloom!

donderdag 6 augustus 2015

Buitenaards leven

De kranten stonden er bol van: de ontdekking van een ‘aardachtige planeet’, Kepler-452b, door sensatiemedia meteen "tweede Aarde" genoemd, of "het oudere neefje van de aarde"; er is zelfs al een afbeeldingen gemaakt van het mogelijke oppervlak van de planeet, al hebben we geen flauw idee hoe de planeet er werkelijk uitziet en grote kans dat we daar nooit achter komen ook, want Kepler-452b is maar liefst 1400 lichtjaren van ons verwijderd. Vanwaar al deze ophef? Wel, de planeet bevindt zich in de zogenaamde "bewoonbare zone" rond zijn ster Kepler-452 in het sterrenbeeld Zwaan. En hoewel zowel Kepler-452b groter is dan Aarde als Kepler-452 groter en heter dan de Zon, is de met de Kepler-ruimtetelescoop ontdekte exoplaneet (d.w.z. planeet buiten ons zonnestelsel) de meest aardachtige die tot dusver bekend is. En dat betekent – hou je vast – dat er misschien wel leven op kan voorkomen!...

Intussen is duidelijk dat de kans dat er leven is op Kepler-452b zeer klein is, maar zeg nooit nooit… De Kepler-ploeg blijft zoeken en wellicht vinden ‘we’ binnen afzienbare tijd een werkelijk bewoonbare of zelfs bewoonde planeet.
En dan? Wel, dan kunnen we eindelijk opademen, want dan blijkt eindelijk dat we niet alleen zijn in het onmetelijke heelal. Want dat is toch wel de vervelendste consequentie van het afzweren van God en de goden: dat er in de uitgestrekte kosmos niemand is die weet heeft van die mensjes op een planeetje verdwaald in een uithoek van het onafzienbare, spaarzaam met sterren en andere levenloze brokken bezaaide universum. Moet je nagaan: onze planeet is maar een speldenknopje vergeleken bij de Zon en die is maar een minuscule dwerg vergeleken bij sommige reuzensterren, die op hun beurt als slechts een nietig stipje staan aan de hemel der eindeloze eenzaamheid. En nergens andere intelligentie, zelfs nergens ander leven dan alleen op ons in duisternis gehulde aardkluitje – dat is toch een onverdraaglijke gedachte! Verdwaald, hopeloos verdwaald door stom toeval zijn we hier, volslagen zinloos.

Op de in de jaren 1970 elk met een ruimteschip verstuurde gouden platen met afbeeldingen en geluidsopnamen van de Aarde hebben we nog steeds geen antwoord. In de tussentijd is een clubje astronomen in het kader van het project SETI ("zoektocht naar buitenaardse intelligentie") druk bezig te zoeken naar radiosignalen uit het heelal. Vanwege de angst van sommige wetenschappers dat door ons uitgezonden signalen mogelijk ongure elementen uit de ruimte kunnen aantrekken is dáár nu maar van afgezien.
Maar zal het wat opleveren? Vergeet het maar. De schrijver van het Wikipedia-artikel over SETI meent dat er "plausibele argumenten zijn om aan te nemen dat dergelijke [intelligente] beschavingen waarschijnlijk bestaan" (nl. de vergelijking van Drake, die niets meer is dan een formule met louter onbekende grootheden), maar ik ben niet overtuigd. Hugh Ross, Kenneth Samples en Mark Clark geven in hun boek Lights in the sky & little green men een overzicht van de 153 factoren waaraan moet worden voldaan om leven (nog niet eens intelligent leven) op een planeet mogelijk te maken; de berekening mondt uit in een waarschijnlijkheid van 1:10194. Aangezien het maximaal aantal planeten in het heelal wordt geschat op tien triljard (1022) is de kans dat één ervan leven bevat 10172 (een één met honderdtweeënzeventig nullen, zou moeten klinken als "tien octovigintiljard" of zoiets). Zelfs al zouden Ross, Samples en Clark te pessimistisch zijn, dan nog is de kans op een andere planeet met leven verwaarloosbaar.

Of toch niet? Ondanks afwezigheid van enig kosmologisch bewijs zijn er mensen die stellig geloven in buitenaardse intelligentie – de bewijzen zijn volgens hen op Aarde te vinden: buitenaardsen bezoeken ons in ruimteschepen (vliegende schotels, ‘ongeïdentificeerde vliegende objecten’; mogelijk reusachtige afstanden overbruggend via wormgaten) en laten soms sporen na in het landschap, bijvoorbeeld in de vorm van graancirkels (waarover later). Bovendien zijn er getuigenverklaringen van mensen die ontmoetingen hebben gehad met buitenaardsen of zelfs door hen ontvoerd zijn geweest. Op één of andere wijze echter laten andere mensen die toch overtuigd zijn van het bestaan van buitenaardse intelligentie zich hierdoor dan weer niet overtuigen – omdat het te dichtbij komt? Raadsel.

Christenen zijn over het algemeen – hoewel er uitzonderingen zijn – niet erg te porren voor de gedachte dat er elders in het heelal (intelligent) leven voorkomt, vanuit de gedachte dat de Bijbel de mens een unieke plaats toekent en zwijgt over andere bewoonde planeten. Nu wil dat zwijgen niet zeggen dat het niet kán, maar alleen al op grond van de hedendaagse kennis acht ik de kans verwaarloosbaar. Maar ja, voor wie in toeval, oerknal en evolutie gelooft is die conclusie toch minder gemakkelijk aanvaardbaar.

Dus er is geen buitenaards leven? Neen. Er ís buitenaards leven; maar dan in de vierde, vijfde of misschien zevende tot vijfentwintigste dimensie. Lees Schaduw van de werkelijkheid.

maandag 27 juli 2015

Het homoparadijs

Afgelopen zaterdag is Amsterdam Gay Pride weer van start gegaan, een jaarlijks evenement dat dit jaar duurt tot en met komende zondag 2 augustus. Een feestelijk evenement met een homocultureel karakter, aldus Wikipedia, vooral bedoeld om vrijheid en diversiteit te vieren. Amsterdam Gay Pride trekt elk jaar vele tienduizenden tot maar liefst enkele honderdduizenden bezoekers (vorig jaar driehonderdduizend) en is duidelijk bedoeld om aandacht te vragen voor andere seksuele geaardheden, vaak samengevat onder de afkorting LHBTi (lesbisch, homo, bi- en transseksueel (en interseksueel)) – immers, niet iedereen is hetero, en dat mag ook benadrukt worden, vindt Nederland sinds de jaren '70, met Amsterdam voorop. Overigens is de Amsterdam Gay Pride niet zoals Gay Prides in het buitenland een protestdemonstratie; de Nederlandse variant daarvan is de Roze Zaterdag die elk jaar eind juni in een wisselende stad ergens in het land wordt gehouden.
 
Tijdens Amsterdam Gay Pride hangt aan de Westertoren een grote regenboogvlag, symbool voor culturele en seksuele diversiteit. Op de eerste zondag wordt een 'roze kerkdienst' gehouden (gisteren dus). Hoogtepunt van het festival is de botenparade die komende zaterdag weer door de Amsterdamse grachten zal varen. Een vrolijk, kleurrijk gebeuren met veel extravagant uitgedoste anders geaarden. Het zijn bepaald niet alleen homo-organisaties en dergelijke die hieraan deelnemen; ook serieuze bedrijven en zelfs overheidsinstanties, zoals ING Bank, PostNL en de Politie varen mee.
Zo waren er vorig jaar postbezorgers met een roze hoedje en een shirt met de tekst "met liefde bezorgd". Het spijt me, maar zo krijg ik bij "liefde" en vieze smaak in mijn mond. Ik moet zeggen dat hét Nederlandse postbedrijf wat mij betreft niet wint aan respect door dit evenement te sponsoren. Maar het gekste nog vind ik dat de Politie 'blauw' en 'roze' wil mengen en daar nog trots op is ook. Ikzelf ben eerder trots op rechercheur Remco de Jong die vorig jaar in opspraak kwam nadat hij via Twitter (wat ik op zich een dwaas medium vind) had gereageerd op een artikel in Elsevier, waarin de parade "een vrolijk vertoon van Hollands Glorie" werd genoemd, met de opmerking dat het "een smerige vertoning" was waarbij de term "Hollands Goorie" beter paste.
In het Engels is het woord "gay" (vrolijk) al onbruikbaar geworden. In Nederland dreigt de kleur roze nare assosiaties te krijgen.
 
Kijk, we moeten homofielen (letterlijk: "gelijke vrienden") met respect benaderen. Ze hebben het al moeilijk genoeg in een heterofiele omgeving. Grapjes over homo's vind ik even smakeloos als een homoparade. Maar homoseksualitieit en andere geaardheden blijven een afwijking, net als pakweg onvruchtbaarheid, een erfelijke ziekte of het ontbreken van een paar tenen. Zaken waar een weldenkend mens niemand die ermee behept is om uitlacht, maar ook zaken waar je niet trots mee te koop ga lopen. Want ga maar na: als de hele mensheid homoseksueel geaard was zou onze soort binnen de kortste keren uitgestorven zijn. Wie zich zorgen maakt om overbevolking, laat die lekker vrijgezel blijven, homo of hetero.
 
Amsterdam is trots op de titel "homohoofdstad van Nederland" en betreurt het niet langer homohoofdstad van Europa te zijn. Het is echter de vraag of alle homofielen het daarmee eens zijn.
In de Amsterdamse politiek is net als elders over allerlei zaken verschil van mening, maar er is één punt waarover alle partijen (inclusief het CDA) het eens zijn: homo-emancipatie – het Roze Stembusakkoord. Afgelopen maart werd in een commissievergadering het plan geopperd om op Sail Amsterdam (19-23 augustus) een roze bootje in te zetten. Dit riep echter weerstand op vanuit 'onverwachte' hoek: VVD- raadslid Rik Torn, zelf homo, vond dit een slecht idee: “… ik denk dat je daar homo's ontzettend mee tekortdoet en ontzettend mee stigmatiseert, (…) want homo's zijn gewoon mensen.”
De homoparades zullen ten minste één ding bereiken: de stereotiepe homo wordt een viezerik in een roze zwempak, in plaats van een gevoelige jongen die zich meer tot jongens dan tot meisjes aangetrokken voelt. Het is maar hoe je als homo bekend wil staan.
 
'Uit de kast komen' en anderen daartoe aanjuichen is een rage; in ons land heerst onbegrip voor hen die er anders over denken. Dit ervoer Thony Kraamer, een heldhaftige homofiele jongen die in het tijdschrift De Oogst vertelde waarom hij zijn homofiele geaardheid niet wilde praktiseren. Nogmaals, een anders geaarde moeten we met respect bejegenen, maar we hoeven hem, haar of 'het' niet aan te moedigen zich op al dan niet perverse wijze te gaan uitleven. Maar dat begrijpt de gemiddelde moderne Nederlander niet. Gebrek aan zelfbeheersing wordt tot deugd verheven. Dat is wat de homoparade is eis eis eis
 
Homo, word mens!
 

maandag 20 juli 2015

Orgaandonatie

Organen doneren, na je dood – wel of niet doen? Dat is de vraag die in de afgelopen jaren aan elke volwassen Nederlander is gesteld. Heb jij al een beslissing genomen? Mag er uit jouw dode lijf straks een long, nier, lever, hart of wat dan ook (hersenen?) gehaald worden voor iemand die het hard nodig heeft?

In 2012 publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) gegevens van een onderzoek uit 2010 waaruit bleek dat ruim de helft van de bevolking koos voor donorschap; slechts een tiende gaf aan geen orgaan of weefsel te willen afstaan. De overigen wisten het nog niet of lieten de beslissing over aan anderen.
Twee weken geleden maakte het CBS gegevens bekend van de spreiding van het percentage orgaandonoren per gemeente in Nederland. Wat bleek? Behalve dat van degenen die in 2010 een duidelijke ja- of nee-mening gaven er nog steeds velen die mening niet hebben laten registreren (60%, in Zuid-Holland en Flevoland ruim 63%), geven de cijfers aan dat er een omgekeerd verband bestaat tussen kerkgang en orgaandonorschap. In grote lijnen – er zijn natuurlijk flinke schommelingen – tellen de gemeenten met de meeste kerkgangers de minste orgaandonoren. Terwijl het gemiddelde aantal geregistreerde donoren rond de 25% ligt, is dat voor het Noord-Brabantse Goirle 33% en voor Urk slechts 8%. Dat wil nog niet zeggen dat Urkers een verklaarde tegenstander zijn van orgaandonatie, want 77% staat niet als ja'er of nee'er geregistreerd. Wel is het opvallend dat vooral in de rooms-katholieke streken het aantal donoren hoog is. Wat daar de oorzaak van is durf ik niet te zeggen; maar voor de protestantse kerken kan ik me er (als protestant) wel iets bij voorstellen: hoewel het belangrijkste argument vóór donorschap, namelijk naastenliefde, door iedereen van belang wordt geacht, vrijwel ongeacht levensbeschouwing, wordt het belangrijkste tegenargument, namelijk eerbied voor het door God geschapen lichaam, lang niet door iedereen gedeeld.

Van het onderzoek in 2010 was er tegenover 10% die geen orgaan wilde afstaan slechts 5% die geen orgaan wilde ontvangen. Het verschil was het grootst bij moslims en het kleinst bij 'Gereformeerden'.
Er zijn dus meer mensen die indien nodig een donororgaan willen ontvangen dan die er één of meer wil afstaan; in 2010 63 tegenover 54 procent. Mag ik voor het gemak de betreffende 11 procent, die wel een orgaan wil ontvangen maar niet afstaan, aanduiden met de term "egoïsten"? 11%, maar als het erop aankomt waarschijnlijk nog veel meer; want stel je voor: je heb aangegeven geen donor te willen worden; dan krijg je een ernstig ongeluk en je lever wordt onherstelbaar vernield, het enige dat je leven nog kan redden is een levertransplantatie – zou je "ja" zeggen? De kans is vrij groot, maar dat betekent wel dat je óf je beslissing over orgaandonatie moet herzien, óf dat je word ingedeeld bij de categorie "egoïsten". In het eerste geval kun je je dan wel afvragen hoe principieel die beslissing is.

Moet je dan wel of niet organen afstaan? Mijn mening is: nee. Je lichaam is uniek. Natuurlijk is God als Hij eens de doden opwekt in staat er ondanks ontbrekende organen weer een compleet lichaam van te maken – zelfs van verbrande, verscheurde en door de vegetatie opgenomen lichamen, al heb ik geen idee hoe – maar je moet Hem niet tegenwerken, zou je kunnen zeggen; vooral echter vind ik het getuigen van weinig respect voor de natuur en de Schepper om in een dood lichaam te snijden. Jawel, het past in de moderne tijd van genetische manipulatie en kunstorganen – maar daar ben ik dan ook faliekant tegen. We zijn al veel te ver bij de natuur vandaan geraakt en denken ongestraft met haar te kunnen sollen. Over arrogantie gesproken. De mens is niet langer rentmeester maar dictator. Ondanks de goede argumenten die er te geven zijn ten gunste van orgaandonorschap zie ik dat ook in dit licht: onethisch gerommel met unieke schepselen.

Maar vervolgens moet je dan ook wel consequent zijn: Geen organen geven? Geen organen aannemen. Zelfs als je in levensgevaar verkeer. Daarom is het ook belangrijk je beslissing vast te leggen als je gezond ben, want wat moet er van terechtkomen als je als demente of ernstig zieke nog over zo iets wezenlijks moet besluiten? Kort en goed is dit mijn oproep: wees een held met respect voor de schepping, en zeg "NEE".


maandag 13 juli 2015

Edese Politiek

Het spijt me, weer slecht nieuws.

Sinds dat de overheid de beslissing om winkels al of niet open te stellen op zondagen bij de gemeenten heeft gelegd wordt er in de gemeenteraden over gediscussieerd; zo ook in mijn  buurgemeente Ede. Aangezien de politiek erover verdeeld was besloot de coalitie (bestaande uit CDA, CU, PvdA, D66 en GemeenteBelangen) vorige maand een referendum uit te schrijven. De uitslag bleek echter niet te zijn wat de seculiere partijen in de gemeenteraad hadden gehoopt: 57% van het aantal stemmers bleek tegen zondagsopenstelling. Maar goed, een volksraadpleging is niet bindend en bovendien ontdekten slimmeriken een zijdeur: als je de uitkomst uitsplitste naar woonplaats bleek dat er in de stad Ede een kleine meerderheid vóór was. Dus sloegen zes partijen (onder aanvoering van VVD – die afkorting staat kennelijk niet voor "veel vrije dagen" – en GemeenteBelangen – veelzeggend: "-Belangen", niet "-Belang" –) de handen in elkaar en schreven een initiatiefvoorstel voor, let wel: 52 zondagen per jaar voor alle winkels in Ede-kom, niet voor de 12 zondagen per jaar of alleen super- en bouwmarkten waarvoor in het referendum bij de Edenaren nog een meerderheid was te vinden. Ook het feit dat de ondernemersvereniging aangaf niet meer dan 12 koopzondagen per jaar te wensen werd genegeerd. En met 20 van de 39 zetels wisten de bewuste partijen zich verzekerd van een meerderheid in de gemeenteraad.
Politiek gekonkel van de bovenste plank, dat het stereotype van onbetrouwbare politici bij de burger flink zal versterken.
Het argument dat bij een keuze voor 12 zondagen per jaar over enige tijd opnieuw zou moeten worden gediscussieerd gaat niet op, want het is slechts een kwestie van tijd voordat de discussie zal worden geopend of de nu ingevoerde zondagsopenstelling van vijf uren naar Wagenings voorbeeld moet worden verruimd naar de hele dag.

Het besluit was nog niet koud of de winkels mochten al open op zondag, gisteren. Een staaltje provocerend puberaal gedrag van de eerste orde.
Overigens scheen het nogal chaotisch te zijn verlopen, maar na een paar weken zal één en ander zich wel uitkristalliseren.

Intussen kun je je afvragen wie er met deze ontwikkeling gebaat is. Waarschijnlijk alleen gemakzuchtige mensen die vergeten hun boodschappen op zaterdag te halen. Het is zeer de vraag of het de winkeliers die hun winkel op zondag openstellen financieel voordeel oplevert, want in totaal zal er nauwelijks meer worden gekocht terwijl personeel meer moet worden betaald. Daarom is men hard bezig de zondagstoeslag eraf te halen; het gevolg zal zijn dat niemand meer op zondag wil werken, maar dan zal het ongetwijfeld verplicht gesteld worden bij sollicitatie. Over vrijheid en democratie gesproken.
Hooguit zullen er wat Edenaren die eerder op zondag in Wageningen – waar de koopzondag al eerder werd ingevoerd – nu in Ede blijven, maar daarmee is het voordeeltje van Wageningen weer weg – een voordeel dat vermoedelijk niet of nauwelijks opweegt tegen de nadelen van de 24-uurseconomie, maar daarover heb ik al eerder mijn mening te berde gebracht.
Winkels die in tegenstelling tot hun buren hun deur 's zondags gesloten houden zullen het waarschijnlijk niet lang volhouden als gevolg van de concurrentie: op termijn zullen de meeste óf alsnog zwichten voor de druk om op zondag open te gaan, óf het loodje leggen. Ten gunste van de grote winkelketens die makkelijker aan personeel kunnen komen – nog meer schaalvergroting; koren op de molen van de VVD. Gezins- en eenmansbedrijven mogen verrekken.

Verstandige Edenaren: doe je boodschappen in het vervolg in Lunteren, Bennekom of Veenendaal of bij de Edese winkels die hun deur op zondag dichthouden, en stem niet meer op één van de partijen (Burgerbelangen, VVD, GemeenteBelangen, PvdA, D66 en GroenLinks/Progressief Ede) die zich aan dit schandalige politieke spelletje schuldig hebben gemaakt.

maandag 6 juli 2015

Blurb!

Blurb!
 
"Dit boek steekt met kop en schouders boven andere romans uit."
"De schrijver houdt je in zijn ban."
"Boeiend en meeslepend."
"Een bijzonder goed geschreven verhaal."
"Wederom een meesterwerk van deze veelgeprezen auteur."
"Heerlijk romantisch."
 
En zo kunnen we nog wel een bladzij of dertienhonderd doorgaan, want van bijna elk boek dat de laatste decennia is verschenen wordt de achterkaft wel gesierd met dit soort lovende kritieken. Met bronvermelding, dat wel.
Sommige uitgevers gaan zelfs zover dat ze zo'n citaat op de voorkant zetten.
"Jane Austen is one of my favourite writers" – Nou en?
"Bossenbroek heeft een formidabele prestatie geleverd." – Zal waar zijn, maar dit op de voorkant af te drukken doet afbreuk aan de uitstraling van het boek.
 
Doe jij dat ook als je overweeg een boek te kopen, meteen naar de achterkant kijken om te zien in welke toonaarden en door wie allemaal het boek wordt aangeprezen? Wat denk je als je zulke dingen lees – "O, dat moet wel een bijzonder boek zijn!"? Of haal je je schouders op?
Ik wil je aanraden dat laatste te doen, want die promotiecitaatjes zeggen niets.
 
Het zit namelijk zo. Uitgevers zijn niet aan regels gebonden voor wat ze wel en wat ze niet aanhalen. Mogelijk wordt het boek in de meeste recensies afgekraakt, maar zijn er net een paar lovende kritieken waaruit kan worden geciteerd.
Bovendien zijn de citaten soms behoorlijk uit hun verband gerukt. De regels voor citeren zoals ze gebruikt worden in de wetenschap en betere journalistiek – tekst letterlijk overnemen met bronvermelding en overeenkomstig de oorspronkelijke strekking, tussen aanhalingstekens, bij weglating van woorden het weglatingsteken (…) gebruiken – worden niet erg strak gehanteerd. Zo kan het gebeuren dat lovende woorden die op een bepaald aspect uit het boek slaan worden betrokken op het hele boek. Een kritiek als "Geestig is het zelfportret van De Winter zelf. (…) Wat rest zijn ontroerende scènes rondom Theo van Gogh" (Trouw) wordt: "Geestig en ontroerend."
Of zelfs dat uit een negatief commentaar net de weinige positieve woorden worden geciteerd: "Dan Brown stelt pertinente vragen die ieder van ons bezighouden. De antwoorden die hij zijn personages laat geven, zijn teleurstellend. Wie verwacht dat er in The Lost Symbol echte onthullingen staan, komt bedrogen uit" (De Standaard) wordt ingekort tot: "Dan Brown stelt pertinente vragen die ieder van ons bezighouden."
Soms worden woorden zelfs zo selectief gekozen dat het advertentiecitaat het tegendeel gaat zeggen. "Van aanstekelijke romantiek is geen sprake" (Het Parool) wordt verkort tot "Aanstekelijke romantiek!" (Het uitroepteken is erbij verzonnen.) Voor degenen die van beelden houden: het poppetje met zijn duim naar beneden wordt op z'n kop gezet, het poppetje wordt weggepoetst en je houd een opgestoken duim over (bron: Onze Taal).
 
Zodoende krijg ik van de weeromstuit sympathie voor de afbrekende kritieken die vermeld worden achterop Hermans' Het behouden huis. Mijn nieuwsgierigheid wordt eerder gewekt door citaten als "En hij vermoordt de vrouw in de badkamer. Ik dank u voor uw belangstelling" en "Consumptie niet verplicht" (ook al zijn ze in Hermans' geval wel terecht). Dat is ook de reden waarom bij Schaduw van de werkelijkheid is gekozen voor uitsluitend kritische 'citaten', waaruit de kritische lezer zelf een waardering van het boek kan destilleren. Omdat die intussen niet helemaal de lading dekken, maar vooral omdat er op de achterkaft geen ruimte over was, zijn ze echter niet op het boek zelf afgedrukt, maar alleen op de informatiepagina van de uitgever.
 
Hoe het ook zij, wie niet durft te vertrouwen op de beschrijving en de indruk die het boek zelf maakt bij inkijken, moet volledige recensies lezen. De Engelse term voor de aanbevelingstekst waarover we het hebben spreekt eigenlijk voor zich: blurb.
 

maandag 29 juni 2015

Zwart

Zwart is de kleding van de begrafenisondernemer en van zijn lijkwagens. Zwart is de kleur van diepe rouw.
Zwart is de motorkleding van Hell's Angels en Bandidos en in het zwart hullen zich gothics, hardrockers, occultisten en satanisten. Zwart is de kleur van het verborgene en demonische. Daarom is het bepaald respectloos een neger uit te schelden voor "zwarte".

Zwart is de kleding van rechter en advocaat, alsmede van predikant en kerkenraadsleden en zwart is de verplichte kledingcode voor uitvoerend klassiek musici. Zwart dient als onopvallende achtergrondkleur die de aandacht van de kleding afleidt naar gezicht, handen en muziekinstrument.

In weerwil van de ernst van het bovenstaande zou je er haast een liedje van maken:
Zwart, wit en grijs zijn de kleuren van vandaag;
hier en daar wat beige, maar dan zeker vaag;
blauw is de spijkerbroek, maar verder geen gezeur:
zwart kleedt zich de jongere – is-t-ie bang voor kleur?
Het is natuurlijk wat overdreven, maar het is wel opmerkelijk dat niet alleen de modekleur des winters zwart is, maar dat steeds meer jongeren sinds kort ook in de zomer nauwelijks kleur (durven) dragen. Vooral doen de zwarte-kousenkerken na vele jaren hun naam weer eer aan.

Overigens blijkt het warme weer van de afgelopen – en komende – dagen verfrissend te zijn wat dit betreft. Goed bezig – houden zo!

Hoewel zwarte kleding in sommige gevallen een eerzaam doel dient verliest het door de aard der kleur haar ongunstige bijbetekenis nooit geheel. Daarom is het een veeg teken als jongeren zich in het zwart gaan kleden. Ze zijn op dat ogenblik geen muziekstuk aan het uitvoeren en maken geen deel uit van een kerkenraad. Zodoende heeft hun zwarte kleding in het gunstigste geval een dubbele boodschap: 1. ik wil niet opvallen; 2. ik houd van somberheid en duistere zaken en de hele wereld mag verrekken. Deze tweede boodschap is voor een puber die op zoek is naar zijn identiteit zeer begrijpelijk; welke jongvolwassene (waar ik ook mezelf toe reken) herkent er niet iets van?
Maar het lost noch levert uiteindelijk iets op. Theoretisch (en praktisch) zijn er drie mogelijke ontwikkelingsrichtingen vanuit een grotendeels zwarte puberkledingstijl:
  1. de jongere wordt volwassen en gaat lichtere en meer gekleurde kleding dragen;
  2. de jongere wordt ouder, maar blijft onvolwassen en blijft vooral zwart dragen;
  3. de geneigdheid naar zwart en duister wordt steeds sterker en de jongere dringt hoe langer hoe dieper door in de wereld van hardrock, magie of dergelijke.
Die laatste categorie is klein, maar vindt vermoedelijk wel zijn oorsprong in de neigingen van de pubertijd. En mijn stellige overtuiging is dat mensen uit deze categorie noch echt gelukkig zijn, noch anderen gelukkig maken – wat overigens ook geldt voor vele grijze muizen die maar met de massa meehobbelen, maar dat terzijde.

Zwart kan stijlvol zijn. Maar het ontbreken van kleur is deprimerend en aan deprimerende zaken heeft onze tijd geen gebrek. Waar behoefte aan is, dat is aan schoonheid, en schoonheid is nauwelijks mogelijk zonder kleur. Mooie kleding geeft de toeschouwer een goed gevoel en de draagster zelfvertrouwen. Daarom een oproep aan ouderen en jongeren in het algemeen en de refomeisjes van vorige week in het bijzonder: Zomer of winter, durf kleur te bekennen!


maandag 22 juni 2015

Hek van de dam

Wat is er aan de hand? Zijn de Nederlandse zomers zo koud geworden, of de meisjes zo preuts, dat ze sinds 2009 massaal een broek dragen onder hun rokje? Die broek heet "legging"; uit de definitie van "broek", "ondoorzichtige beenbekleding van het middel tot de enkels of hoger", blijkt duidelijk dat de legging daar ook onder valt. Dus, slechts zeer weinigen in deze contreien dragen nog geen broeken (denk ook aan regen- en pyjamabroeken). Is dat erg?

Reformatorische (middelbare) scholen, de laatste toevluchtsoorden voor echte meisjes, liggen onder niet-aflatend kruisvuur van begripsloze buitenstaanders. Vooral het Van Lodenstein College (VLC) is berucht om zijn strenge regels, inzonderheid de kledingvoorschriften. Jongens moeten een lange broek dragen, meisjes een rok tot de knieën of langer. Riepen deze voorschriften altijd al weerstand op van rebelse pubers, de meisjes lappen de regels sinds een paar jaar massaal aan hun laars: de mode is korte rokjes, en daar moeten de schoolregels voor wijken. Handhavers hebben de moed opgegeven. De school heeft kledingcoaches te hulp geroepen, maar het lijkt er niet op dat die veel kunnen uitrichten.
Toch wist men één schans nog met succes te verdedigen: zichtbare legging (= broek) onder de rokjes. Reformatorische scholen als de Jacobus Fruytier Scholengemeenschap doen hier al geruime tijd niet moeilijk over; sinds enkele jaren wordt het ook op VLC-vestiging Kesteren gedoogd, maar tot voor enkele weken nog niet in Barneveld. Daar dreigt de verdediging van de schoolregelhandhavers het te begeven nu een paar belhamels het gewaagd hebben onder hun rokje een ongecamoufleerde legging aan te trekken naar school. En slecht voorbeeld doet slecht volgen, zo luidt een natuurwet; het hek wordt van de dam geduwd, nog even en er is geen houden meer aan. De regelbewakers hebben het nakijken.

Is dat erg?

Ja, want zoals ik eerder betoogde gaat dit ten koste van het vrouwelijk zelfbewustzijn van de meisjes. De combinatie minirok-kousbroek geeft namelijk niet zozeer blijk van preutsheid of juist uitdagendheid als wel van gebrek aan zelfvertrouwen. Vooral zo'n zwart rokje met dito kousbroek is van een afstandje bijna niet te onderscheiden van een gewone zwarte (spijker)broek. Blijkbaar zijn de draagsters, die door school, ouders en/ of kerk verplicht worden een rok(je) te dragen, bang om voor een meisje aangezien te worden en gaan ze liever door voor een twijfelgeval. Onbewust misschien, maar het is wel zo. De weinigen die wel over voldoende zelfvertrouwen en vrouwelijk gevoel beschikken en fleurige lange rokken dragen zijn veelal wat ouder dan middelbare-schoolleeftijd. Maar zij zijn wel degenen die het straatbeeld opfleuren en daarmee helpen aansporen niet meteen naar binnen (beeldschermen) te gaan omdat er buiten toch niets moois te zien is. Met alle bijkomende nadelige gevolgen voor de gezondheid.


maandag 15 juni 2015

Trek (niet) naar de stad

De trek van het platteland naar de stad moet worden gestopt

Het is een wereldwijd probleem: de trek van het platteland naar de stad. Vooral in arme streken ontvluchten mensen de armoede van het land om in de stad, waar naar verluid meer werk te vinden is, een beter leven op te bouwen. Een probleem, want het gevolg is uitpuilende miljoenensteden met krottenwijken vol schrijnende armoede, misdaad en ellende, en anderzijds een leeglopend platteland waar vervolgens niet genoeg voedsel meer kan worden verbouwd.
Het verschijnsel komt niet alleen voor in arme landen; in onze streken groeien de steden al eeuwenlang, niet alleen door natuurlijke bevolkingsaanwas, maar minstens evenveel door netto immigratie vanuit het omliggende platteland; aanvankelijk vanuit veiligheidsoverwegingen – ommuurde steden waren beter te verdedigen dan een boerenhoeve – maar door de industrialisatie (negentiende eeuw) vooral door de vooruitzicht van betaald werk. De boerenarbeider werd fabrieksarbeider – en won er niets mee, verloor slechts de rust en schoonheid van het landleven. Datzelfde gebeurt nu volop in industrialiserende landen als China.

Soms komt het omgekeerde voor, trek van de stad naar het platteland. Spengler beschrijft verstedelijking als één van de kenmerken van de laatste fase van een grote cultuur. Als een beschaving, na een ontwikkeling van opkomst, bloei en aftakeling, sterft, lopen de steden leeg. Dat lot trof bijvoorbeeld Midden-Amerikaanse steden als Teotihuacán, Tikal en Tenochtitlán.
Dat verstedelijking vandaag de dag wereldwijd optreedt is naar mijn mening een gevolg van de mondiale invloed van onze Avondlandse cultuur, van kolonialisme tot massamedia.

In landen als de West-Europese, die zich in de postindustriële fase bevinden, is het in de stad, zonder honger en zware luchtvervuiling, beter toeven en kan trek naar de stad vaker worden ingegeven door behoefte aan gezelschap, drukte en vermaak. Het gevolg op het platteland is dan verdergaande schaalvergroting van de overblijvende boerenbedrijven.
Overigens waardeer ik de trek naar de stad voor zover die in Nederland nog plaatsvindt hier netto niet als een probleem, want op nog meer burgerhuizen in het boerenland zitten we ook niet te wachten, behalve misschien in leeglopende gebieden in Friesland en Groningen.
Aan de andere kant van het spectrum echter, in de arme ontwikkelingslanden, kan ik geen goed argument verzinnen dat pleit voor de trek naar de stad. Niet alleen zijn boeren in het land dringend nodig om voedsel aan de aarde te ontlokken, maar ook hebben ze daar op de meeste plaatsen de mogelijkheden om te overleven – helaas niet overal, maar gelukkig kunnen wij, rijken, aan wie misschien sommige van de natuurrampen die die arme drommels treffen mede te wijten zijn, nu ook hulp bieden – terwijl dat in de stad nog maar de vraag is. Ryszard Kapuściński beschrijft in zijn boek Ebbenhout hoe mensen die naar de stad gevlucht zijn en niet meer terug kunnen naar waar ze vandaan komen de dag doorbrengen, in de schaduw van gebouwen schuilend voor de middaghitte; soms is er wat te eten, andere dagen niets. En dan ging het hier nog vredig toe; ik hoef voor voorbeelden van het tegendeel maar te verwijzen naar de straatbenden in steden als New York. Nu is er in de binnenlanden, zeker in Afrika, ook geregeld oorlog, maar problemen als drugsverslaving zijn daar toch aanmerkelijk zeldzamer. Bovendien verliezen mensen in de massaliteit van de hoofdstad hun cultuur en daarmee een belangrijk deel van hun identiteit. Vergelijk de kleurrijke tradities in de binnenlanden met het kleurloze uiterlijk en bestaan van verwesterde stadsbewoners.

Daarom wil ik hulp- en ontwikkelingsorganisaties oproepen hun schaarse middelen niet langer te besteden in de steden, maar in te zetten in de landelijke gebieden, opdat de boerenbevolking ervan wordt weerhouden weg te trekken naar de stad – een nagenoeg onomkeerbaar proces – want hulpverlening in de stad is dweilen met de kraan open; en voorkomen is beter dan genezen.

maandag 8 juni 2015

Zonder natuur ga je dood (2)

Vandaag het tweede en laatste deel van de opsomming van wetenschappelijke argumenten voor de stelling dat contact met de natuur van levensbelang is...

Bloeddonoren bleken een lagere hartslag en bloeddruk (dus minder spanning) te hebben tijdens het geven van bloed wanneer op het televisiescherm in de wachtruimte natuurfilms worden vertoond dan wanneer opnamen van winkelcentra en -straten of gewone televisiebeelden werden vertoond.
Werklozen bleken minder goed met spanningsvolle situaties te kunnen omgaan naarmate ze minder groen in hun buurt hadden.
Een half uur tuinieren in een volkstuin leidt tot sneller en meer volledig herstel van spanningen dan een half uur lezen in tijdschriften.
Schoolkinderen uit plattelandsgemeenten bleken meer zelfvertrouwen te hebben en beter bestand te zijn tegen spanningsvolle levensgebeurtenissen naarmate er meer groen in en rond hun woning aanwezig was.
Schoolkinderen presteren beduidend sneller op een moeilijke en aandachtvragende toets (waarbij ze letters met cijfers moeten verbinden) als ze die mogen uitvoeren in de schooltuin dan wanneer ze hem moesten uitvoeren in het klaslokaal.
Meisjes uit een achterstandswijk bleken over meer zelfbeheersing te beschikken naarmate er vanuit het raam van hun appartement meer bomen en gras te zien waren.
Jonge kinderen op een kinderdagverblijf scoren beter op een toets die de kans meet ADHD te ontwikkelen als er in de omgeving veel bomen, struiken en heuvelachtige terreinen aanwezig zijn.
Kinderen met ADHD kunnen zich beter concentreren tijdens of na een verblijf in een natuurlijke omgeving.
Mensen die minstens één keer per week een park of bos bezoeken bleken de helft minder kans te hebben op ernstige psychische problemen dan mensen die nooit bewegen in de natuur.

Ziekteverzuim van kantoormedewerkers is lager naarmate ze meer planten in het zicht van hun werkplek hebben.
Het sterftepercentage onder mensen met een laag inkomen ligt in groene buurten lager dan in minder groene buurten.
De kans op depressieve klachten en angststoornissen neemt toe naarmate er minder groen rond je woning is.
Een lage vegetatiedichtheid van de openbare ruimte rondom de woning gaat gepaard met een verhoogde kans op hart- en vaatziekten.
Zwangere vrouwen bleken minder kans te hebben op een kindje met een (te) laag geboortegewicht naarmate er meer groen in de nabijheid van hun woning was.

Contact met de natuur heeft met name een gunstige invloed op 'hogere' cognitieve functies die bijvoorbeeld nodig zijn om te plannen, problemen op te lossen en impulsen te beheersen.
Studenten presteerden beter op een test na het bekijken van een diavoorstelling met natuurbeelden dan na het kijken van dia's van stedelijke omgevingen of geometrische figuren.
Een wandeling door een natuurgebied is behulpzamer bij het vinden van een oplossing voor een moeilijk probleem dan een wandeling over een parkeerterrein in de stad.
Vrouwen uit een achterstandsbuurt bleken zich beter te kunnen concentreren en minder vaak agressief te zijn wanneer hun woning uitzag op bomen en gras dan met uitzicht op asfalt en beton.
Studenten zijn creatiever wanneer er planten in hun kamer staan.

Om af te sluiten nog eentje die niet in het onderzoek stond maar onlangs bekend werd: kinderen die veel buiten spelen hebben minder kans op bijziendheid.

Overtuigd?


maandag 1 juni 2015

Zonder natuur ga je dood (1)

Het is tijd om naar buiten te gaan. En dat moet je blijven doen als het minder lekker weer is dan in deze tijd van het jaar; want wist je dat als je veel natuur om je heen heb je makkelijker kun ontspannen, minder kans heb op een depressie of angststoornis, je beter kun concentreren en creatiever ben en nog andere gunstige zaken, kortom: statistisch gezien langer, gezonder en gelukkiger leef?

Ik ben blij dat de meeste mensen liever in de stad wonen – in Nederland dan, want een neger in Afrika of een indiaan in Latijns Amerika zou ik ten stelligste afraden om naar de stad te verhuizen, want daar komt alleen maar narigheid van.
De gevaren van het leven in een Nederlandse stad zijn dermate aanvaardbaar dat ik mijn bovenstaande stelling hier durfde poneren, maar eigenlijk is het toch egoïstisch – het gaat mij om de in-standhouding van ongeschonden natuur en agrarisch landschap, dus hoe minder mensen daar wonen hoe beter. Maar hoewel ik misschien bezorgder ben om de veiligheid en gezondheid van negers en indianen dan van Nederlanders, ik ben niet egoïstisch genoeg om wat ik weet over het belang van de natuur voor mezelf te houden.
Dus wil ik iedere stadsbewoner en wie ook maar (te) weinig in de frisse buitenlucht komt met klem aanraden vaker de natuur op te zoeken. Voor je eigen bestwil.

In maart 2013 publiceerde het IVN een 'factsheet' over natuur en gezondheid, getiteld "Waarom wij natuur nodig hebben", een literatuurstudie door Agnes van den Berg. Uit dat meta-onderzoek haal ik hieronder de opvallendste uitkomsten aan (uit binnen- en buitenland). De conclusie mag u dan zelf trekken…

Nederlandse kinderen kijken betrekkelijk veel televisie: 67% van de 11-jarigen en 70% van de 13-jarigen minstens twee uur per dag.
Vooral jongeren komen weinig in de natuur; voor 41% is dat hooguit een paar keer per jaar.

Verwoesting van bomen door een kever bleek samen te hangen met een sterke toename van ziekten van de luchtwegen en hart- en vaatziekten.
In buurten met minder dan 10% parken, bossen, weilanden en ander groen in een straal van 1-3 kilometer rondom de woning bleek 16% zich ongezond te voelen; in buurten met meer dan 90% groen voelde maar 10% zich ongezond.
Buurtbewoners die ontevreden zijn met het groen in hun buurt voelen zich ongezonder dan bewoners die tevreden zijn met het groen.

Volwassenen in een stad besteden meer tijd aan fietsen naar het werk naarmate er meer parken in een straal van vijfhonderd meter rond hun woning zijn.
De kans op overgewicht ligt in de groenste buurten ongeveer 40% lager. (Dit hangt ook af van de aanwezigheid van voorzieningen en andere aantrekkelijke kenmerken als fietsenrekken, paden, verlichting, bos, water en uitzichten.)
Mensen ervaren een sportieve activiteit in een natuurlijke omgeving over het algemeen als meer plezierig dan dezelfde activiteit in een sportschool.
Een natuurlijke speelomgeving stimuleert tot meer gevarieerd en creatief speelgedrag.
Kinderen van vijf tot zeven jaar gaan flink vooruit in hun motorische ontwikkeling als ze een jaar lang elke schooldag in het bos mogen spelen.
Jongens die een sportschoolprogramma in de natuur volgden vertoonden na achttien weken meer gewichtsafname en meer verbetering op fitnesstests voor spierkracht, spieruithoudingsvermogen en zuurstofopname dan jongens die meededen aan het standaard sportprogramma op de stadscampus.
96% van het aantal Nederlanders geeft aan zich gezonder en rustiger te voelen na een bezoek aan de natuur.

Studenten die somber, gespannen en kwaad waren geworden door enge filmbeelden raakten hun negatieve gevoelens volledig kwijt na het bekijken van een korte video van een wandeling over een bospad. Natuurgeluiden blijken een vergelijkbaar heilzaam effect te hebben. (Deze heilzame werking van de natuur treedt vooral op in de eerste vijf minuten.)
Patiënten hadden na een galblaasoperatie minder sterke pijnstillers nodig en konden een dag eerder naar huis wanneer ze herstelden in een kamer met uitzicht op bomen dan wanneer ze herstelden in een kamer met uitzicht op een stenen muur.
Een bezoek aan of het kijken naar de natuur leidt tot een vermindering van pijn en negatieve emoties als boosheid, somberheid en vermoeidheid en tot een toename van positieve gevoelens en energie.


maandag 25 mei 2015

2e Pinksterdag afschaffen?

Volgens kardinaal Eijk, de ‘baas’ van de rooms-katholieke kerk in Nederland, is een Tweede Pinksterdag wat hem betreft niet nodig en in zijn kerk niet eens een officiële feestdag. Dat was koren op de molen van een aantal kerkhaters in de media, die vervolgens de synodevoorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), domina Van den Broeke, vroegen naar haar mening. Die gaf eveneens aan de tweede feestdag wel te willen inwisselen voor een joodse en een islamitische feestdag, zij het met de nuancering het wel jammer te vinden.

Wat moeten we hiervan vinden? Hoe zinvol is eigenlijk die tweede feestdag? Om te beginnen is die pas later toegevoegd aan Kerst, Pasen en Pinksteren. Een nutteloze toevoeging? Toch niet, zoals we zullen zien.
Pinksteren, wie weet nog waar dat over gaat? Zowat niemand, dus niet gek dat hier de discussie begint. (Tussen haakjes: misschien een weinig geestelijke uitspraak, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Eijk en Van den Broeke niet erg Geest-vervuld zijn als ze zich zo op sleeptouw laten nemen door de belhamels of er zelf eentje worden.) En de kans lijkt me groot dat de Tweede Pinksterdag op termijn inderdaad zal worden afgeschaft, waarna Tweede Paasdag en later Tweede Kerstdag zullen volgen. En wat komt daarvoor dan in de plaats? Bevrijdingsdag opwaarderen tot echte nationale feestdag, zoals Eijk voorstelt is een goed idee, al hoeven we daar wat mij betreft niet mee te wachten tot Tweede Pinksterdag het veld heeft geruimd. Of anders een joodse feestdag; denk bijvoorbeeld aan het Wekenfeest dat ergens rond de vierde eeuw door ons Pinksteren is vervangen. Akkoord. En een islamitische feestdag? Neen. Daar moeten we de grens trekken. Moslims in Nederland, goed; hoofddoeken, welkom; moskeeën, vooruit. Maar Nederland, gebouwd op een joods-christelijk fundament, zou er zeer onverstandig aan doen de islam te verheffen tot een ‘staatsgodsdienst’ door één van haar feestdagen tot landelijke vrije dag uit te roepen. Dat zou werkelijk misplaatst zijn, doorgeschoten multicultigedrag en een minachting voor onze geschiedenis.

Nu ben ik bepaald geen feestbeest en wat mijzelf betreft mogen alle feestdagen (met inbegrip van verjaardagen) ‘umsgelieks’ worden afgeschaft. Maar wat je weggooi ben je kwijt en ik denk dat het voor de samenleving als geheel heilzaam is om een aantal gezamenlijke feestelijke gedenkdagen te vieren. Niet alleen voor degenen die – in geval van een christelijke feestdag – naar de kerk willen gaan, maar evenzeer voor degenen die daar geen kaas van hebben gegeten, omwille van hun algemene ontwikkeling en om het maatschappelijk welbevinden, zoals ook een landelijke vrije zondag voor iedereen van niet te onderschatten waarde is.
Maar als we die tweede dag afschaffen is de eerste er toch nog? Nou, niet lang meer. Want zonder de tweede Paas- of Pinksterdag verschilt de eerste voor de meeste mensen (al of niet kerkelijk) nauwelijks van een gewone zondag en kan dan wat hen betreft ongetwijfeld net zo goed worden afgeschaft; het is die verlenging van het feest die mensen herinnert aan het bijzondere karakter.
Dit nog afgezien van het plezier dat mensen beleven aan het ‘Pinksterweekend’, voor vakantie, een conferentie of wat dan ook, juist in deze mooiste tijd van het jaar. En plezier®welbevinden is economisch van onschatbare waarde.

Kortom: afschaffen is een slecht plan. En dat de PKN dat niet volmondig onderschrijft geeft voor mij aan dat die organisatie de naam "kerk" nauwelijks meer waard is, tenzij "kerk" iets betekent als "machtsinstituut" of "religieus genootschap". Het wordt tijd dat ik mijn PKN-lidmaatschap opzeg.

maandag 18 mei 2015

Asielzoekers

De Europese Commissie wil de niet-aflatende stroom asielzoekers uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten die grotendeels strandt in Italië en Griekenland, verdelen over Europa, zo liet vicevoorzitter Frans Timmermans afgelopen woensdag weten. Deze herverdeling moet geschieden volgens een formule die grootheden als inwonertal, welvaart en aanwezigheid van asielzoekende vluchtelingen bevat. Daarnaast zouden de EU-lidstaten vluchtelingen van buiten Europa moeten opvangen, zoals mensen uit overvolle vluchtelingenkampen in Jordanië. Minister Asscher gaf aan dat Nederland zijn verantwoordelijkheid steeds al neemt en dat hij de Brusselse plannen goed zal gaan bekijken.

Dat laatste is te begrijpen. Asielzoekers zijn in Nederland niet mateloos populair en het zou dan ook een slechte zet zijn tegenover de kiezers als Asscher meteen met het plan van de EC zou instemmen. Goed bekijken is bovendien altijd goed.
Maar het is niet te hopen dat de uitkomst van dat "goed bekijken" zal zijn dat Nederland niet mee wil doen – niet dat ons landje die bevoegdheid heeft, overigens. Ik meen dat wij een morele verplichting hebben om met dit redelijke voorstel in te stemmen; anders hadden we niet bij de EU moeten gaan – en zelfs buiten dat: laat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, is als ik me niet vergis de leus van de Socialistische Partij. Het is kinderachtig en egoïstisch om te reageren: Laat Griekenland en Italië het zelf oplossen; moeten ze maar niet zo dicht bij Afrika zitten.

Kortom:
  1. Stuur de asielzoekers die zonder goede reden Europa binnenkomen meteen terug; bijvoorbeeld al die jonge mannen die vrouw en kinderen in de relatieve armoede achterlaten om in het rijke Westen een goed leven te beginnen. Laat ze dus niet eerst vijf jaar in een azc werkeloos moeten afwachten wat de tergend trage bureaucratie voor hen in petto heeft.
  2. Vang de overigen op en verdeel hen over Europa al naar gelang de draagkracht van de landen. Zo lijkt het me redelijk om de meesten naar Scandinavië te sturen, vanwege de rijkdom en vooral de ruimte daar. (Kan een leuke ervaring worden voor die Afrikanen en oosterlingen die weinig anders kennen dan de brandende zon: de midzomernachtzon, de naaldbossen en toendra's, de sneeuw, de lange winternachten.) En dan ook een klompie naar Holland – of misschien liever: Groningen. Dat is goed voor hen én voor ons.

maandag 11 mei 2015

Ons vir jou, Suid-Afrika (afsluit)

Waarom Afrikaans moet bly bestaan
Ek is jammer ek moet hierdie een keer aansluit by die mening van die meerderheid: die Apartheid het nie goed gewees nie. "Apart" was nie "gelyk" nie. Die wreedhede wat hier en daar begaan is onder die Apartheid het egter nie slegs die Afrikaners nie, maar ook die Afrikaanse taal in ‘n slegte lig gestel en behalwe die promosie van nege inheemse tale tot amptelike taal naas Afrikaans en Engels, het die nuwe regering steeds meer Engels bevorder, die taal van die binnedringer. Die "regstellende aksie" gaan nie slegs die regte van ‘swartmense’ en ‘witmense’ aan nie, maar ewe die taal: minister Nzimande wil die laaste universiteit waar nog alleen in Afrikaans lesgegee word, die Akademia, dwing Engels in te voer. Dis ‘n sleg aksie van ‘n sleg regering, die korrup regering van Jacob Zuma, wat luidens Engelse blankes net so goed as na andere, besig is Suid-Afrika na die vernietiging te help.
Afrikaans is ‘n unieke taal. Dis nie net die taal van die ‘onderdrukkers’ nie; dis selfs nie slegs 'n mooi vereenvoudig vorm van Nederlands en die taal deur wat diername soos "wildebeest", "aardvark" en "meerkat" in die wêreld gekom het, dis die taal van Suid-Afrika. Daar is meer mense met ‘n donkere vel wat Afrikaans praat as witmense.
Met reg verwys professor Danie Goosen en andere na die ‘totalitêre’ kommunistiese mentaliteit van Nzimande, om ‘n eenvormigheid af te dwing op goeie universiteite wat nie eers staatssubsidie kry nie. Suid-Afrika moet oppas nie die kant van Zimbabwe uit te gaan nie. Suid-Afrika is een reënboognasie met baie verskillende kulture, kleure en tale wat werd is in stand gehou te word.
“En veg ons nie, sal ons verdwyn,” sing Bok van Blerk oor die Vrijheidsoorlog. Ook vandag moet die Afrikaners wat standhou in plaas van weg te trek uit Suid-Afrika – wat baie doen – veg vir hul kultuur. Alleen moet hulle leer nie te veg teen die ‘swartmense’ nie, maar teen die Engelse taal en kultuur. Want nie Afrikaans nie, maar Engels is die regte taal van die onderdrukkers. Dis die Engelse wat op baie plekke in die wêreld die inheemse bevolking onderdruk, verjaag en vermoord het en hul eie kultuur en taal opgelê het. Dalene Matthee beskryf in haar boek Kringe in 'n bos hoe die Engelse dorpmense van Knysna met minagting neergekyk het op die houtkappers en hul ‘Kitchen Dutch’. Dis wat baie van hul al die eeue gedoen het en dis wat vandag weer gebeur. Maar sonder rede, want die Afrikaner het ‘n stem. Hebu! En uit die blou van die Suid-Afrikaanse hemel, uit die diepte van haar see, oor haar ver-verlate vlaktes klink die roep om saam te kom, en verenig te staan – watter kleur jou vel het maak nie saak nie.
Dis niks om trots op te wees om Engels te praat nie, want in die hele wêreld is al baie mense wat Engels praat. In Namibië praat wel baie mense Afrikaans, maar Suid-Afrika is die enige land waar Afrikaans ’n amptelike taal is.
Dis moeilik om saam te leef met jou ou vyande, wat jou vroeër onderdruk het of wat jou nou dreig te vermoord op jou plaas (omtrent vierduisend plaasmoorde sedert 1991), maar dis nodig. In Suid-Afrika is genoeg plek vir donker en blanke mense om saam te bly, en God en die Afrikaanse taal kan almal saambind.

maandag 4 mei 2015

Ons vir jou, Suid-Afrika (inlei)

Hoe die suide van Afrika een reënboognasie gevorm het

Allereers excuus vir my sleg Afrikaans. Ek is Nederlands en ek het net ’n bietjie Afrikaans geleer. Maar vir hierdie stukkie oor Suid-Afrika en die Afrikaanse taal ek dink dis ’n bietjie misplaas dit in ‘n andere taal te skryf.
Buitendien moet jy besef dat in ’n kort teks oor Suid-Afrika en Afrikaans ek die dinge net kan noem, baie moet bly lê, dus vir die regte beeld moet jy goeie boeke lees. Maar daar is ’n belangryke rede waarom ek dit nou skryf. Lees en oortuig jouself.

Die eerste bewoners van Suid-Afrika het die Bosjesmans en Hottentotte gewees. Hulle is op baie plekke verdryf deur bantoestamme soos die Xhosa en die Zulu. In die sewentiende eeu het Jan van Riebeeck op die Kaap een kolonie gevestig vir die Vereenigde Oost-Indische Compagnie. In 1795 het die Britte die kolonie verower en nie lank daarna nie het baie Boere weggetrek uit die Britse kolonie en twee nuwe republieke gestig: Oranje-Vrijstaat en Transvaal. Hierdie Voortrekkers, afkomstig van veural Nederlandse, Duitse en Franse setlaars, het een soort Nederlands gepraat wat vermeng geword het met woorde en grammatika uit 'n klompie ander tale, soos Maleis (van Portugese seelui, maar moontlik ook van baie Indiese werklui wat later na Suid-Afrika gekom het); die amptelike Nederlands het net die skryftaal gewees.
Teen die einde van die negentiende eeu is in die Boererepublieke goud en diamant ontdek en het die Britte die Boere, die hul soewereiniteit die opgee wou nie, in 1899 die oorlog verklaar. Meer as twee jaar het die oorlog geduur; toe moes die laaste bittereinders dit opgee teen die oormag.
Tog het die vrede gunstige voorwaardes saamgebring vir die Afrikaners en in 1910 en heeltemal in 1931 het hulle selfs selfbestuur gekry. In 1925 het Afrikaans – naas Engels – die plaas van Nederlands ingeneem as amptelike taal. In die loop van die jare het egter duidelik geword dat die Afrikanerbewind hulself het beskou as meer as die swartmense. Hier sien ek ‘n belangrike oorsaak dat die Boere die oorlog verloor het. Engeland het destijds die grootste mag van die wêreld gewees, maar moontlik had die Boere die oorlog kan wen as hulle die Bantoes vir hul ingeneem het. Die ‘Rooineks’ het baie stamme as bondgenote vir hulle laat veg, maar die Boere het baie van die inheemse bevolking teen hulle gekry, en het na die oorlog met die oorwinnaar saamgespan.
Na die Tweede Wêreldoorlog het die Afrikanerbewind herhaaldelik nuwe wette aangeneem waardeur die regte van die niet-blankes steeds verder ingeperk geword het. Reeds in 1912 is die ANC (South African Native National Congress) gestig, die in die beloop van die tyd steeds meer geprotesteer het teen die agterstelling van mense met ‘n donkere vel. Eers geweldloos, maar as die vergeldingsaksies van die regering harder geword het, het leier Nelson Mandela besluit dat dit tyd was vir harde aksies en het hulle die Umkhonto we Sizwe (Die spies van die nasie) opgerig. Na verskeie aanslage is Mandela gearresteer en opgesluit op Robbeneiland. In die sewe-en-twintig jare wat hy in die tronk deurgebring het, het hy geleer, deur sy christelike geloof en die Afrikaanse konsep Ubuntu, na versoening te soek. En dat het hy ook gedoen nadat hy vrygekom het en president van Suid-Afrika geword het.

Nou dis ‘n taamlike lank inleiding en ons het mos nog nie aangekom by wat ek eintlik wou sê nie. Ons bewaar dit darem vir volgende week.