maandag 21 april 2014

Opstaan uit de dood… kan dat?

Het verhaal van Pasen

De Passionen en The Passion hebben Nederland zich helpen herinneren wat ook alweer het verhaal achter Goede Vrijdag was: het lijden en sterven van Jezus. Maar Pasen? Wie gaat je dat vertellen? Wel, in een paar woorden: Pasen is de herdenking van de opwekking/ opstanding van Jezus uit de dood. Hè, kan dat, opstaan uit de dood?

>>Na de sabbat, toen de ochtend van de eerste dag van de week gloorde, kwam Maria uit Magdala met de andere Maria naar het graf kijken. Plotseling begon de aarde hevig te beven, want een engel van de Heer daalde af uit de hemel, liep naar het graf, rolde de steen weg en ging erop zitten. Hij lichtte als een bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. De bewakers beefden van angst en vielen als dood neer. De engel richtte zich tot de vrouwen en zei: ‘Wees niet bang, ik weet dat jullie Jezus, de gekruisigde, zoeken. Hij is niet hier, hij is immers opgestaan, zoals hij gezegd heeft. Kijk maar, dat is de plaats waar hij gelegen heeft.<< (Mattheüs 28, het vervolg op Bachs Passion)

,,Wetenschappers en moderne theologen beweren dat de Opstanding niet echt gebeurd kan zijn,” zegt de dominee. ,,Je moet het psychologisch zien, zeggen ze. Maar wij geloven dat Jezus wel lichamelijk is opgestaan. Laten wij vasthouden aan het lege graf.” Kortom: het verstand zegt dat het niet kan, maar de gelovige moet het verstand opzij zetten en domweg geloven. Wat een zwaktebod.
Voor een kind dat opgevoed is met het geloof is het voldoende het opstandingsverhaal en andere bijbelverhalen te geloven omdat ze in de Bijbel staan, omdat vader, moeder en de predikant zeggen dat ze echt gebeurd zijn. Maar een volwassen eenentwintigste-eeuwse westerling mag daarmee niet volstaan. Wie iets gelooft moet in deze tijd om ernstig genomen te worden kunnen uitleggen waarom.
Welnu, kun je opstaan uit de dood? In de Bijbel staan negen gevallen van iemand die uit de dood werd opgewekt; Jezus (Jesjoea) was de zevende (opgewekt door God; en omdat Hij volgens de Bijbel zelf ook God was wordt ook wel gesproken van opstanding). Daarnaast voorspelt de Bijbel dat aan het einde der tijden alle mensen die ooit zijn gestorven uit de dood zullen opstaan ("sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd", Daniël 12). Kletspraat? Wie een beetje thuis is in de Bijbel zal dat niet zo snel zeggen. De Bijbel is namelijk een doorwrocht geschrift dat overal toetsbare feiten vermeldt (waarvan vele in onze tijd worden geverifieerd) en tal van voorspellingen bevat die eeuwen later (bv. in de tijd van Jesjoea) zijn uitgekomen. Dus als iets in de Bijbel staat is er reden om belang te hechten aan de historische juistheid ervan.
Maar opstaan uit de dood? Het hele biologische afbraakproces dat in gang gezet is weer om te keren? Hier ligt een denkfout op de loer: "Als iets niet verklaarbaar is kan het ook niet" – een tamelijk kortzichtige bewering, want "niet verklaarbaar" is volslagen afhankelijk van de stand van de wetenschap op het bewuste tijdstip. Is een natuurverschijnsel als bolbliksem pas in de twintigste eeuw mogelijk geworden? Stel je voor – dan was er vóór 1600 geen zwaartekracht!

En de opstanding van Jesjoea dan? Zelfs al zouden dergelijke wonderen in theorie kunnen gebeuren, is het aannemelijk dat het in dit geval ook echt gebeurd is? Ja; het is aannemelijker dat het echt gebeurd is dan dat het een verzinsel is.
Welke bronnen zijn er over het leven van Jesjoea? Om te beginnen vier biografieën, als "evangelie" opgenomen in de Bijbel (wat ze niet minder betouwbaar maakt); daarnaast enkele opmerkingen in brieven van o.m. de apostel Paulus en Romeinse schrijvers. Ruben Jorritsma analyseerde de gegevens en besloot dat het feit dat Jezus werkelijk is opgestaan de beste verklaring biedt voor de volgende reeks feiten:
  1. Jesjoea werd gekruisigd.
  2. Jesjoea werd begraven door Josef van Arimathea.
  3. Het graf was leeg.
  4. Jesjoea's discipelen (leerlingen) zagen verschijningen van Jesjoea na zijn dood.
  5. De discipelen kwamen tot de overtuiging dat Jesjoea was opgestaan (waardoor ze er zo nodig de marteldood voor over hadden).
Hiervoor zijn de volgende verklaringen aangedragen:
  1. De discipelen hebben het lichaam gestolen en gelogen over de verschijningen – verklaart feit 3, maar niet 5;
  2. De verschijningen waren een hallucinatie – verklaart feit 3 niet en 5 weinig beter;
  3. Jesjoea heeft de kruisiging overleefd – op alle punten (misleiding van de soldaten, overleven in een graf zonder verzorging, ontsnappen uit bewaakt graf) onwaarschijnlijk
  4. Jesjoea is opgewekt uit de dood – verklaart alle feiten en sluit aan bij de Oud-Testamentische profetieën.
>>Terwijl de vrouwen onderweg waren, gingen enkele van de bewakers naar de stad. Daar vertelden ze de hogepriesters alles wat er gebeurd was. Die vergaderden met de oudsten en besloten de soldaten een flinke som geld te geven en hun op te dragen: ‘Zeg maar: “Zijn leerlingen zijn ’s nachts gekomen en hebben hem heimelijk weggehaald terwijl wij sliepen.” En mocht dit de prefect ter ore komen, dan zullen wij hem wel bepraten en ervoor zorgen dat jullie buiten schot blijven.’ Ze namen het geld aan en deden zoals hun was opgedragen. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.<<
– Zou jij die bewakers geloven? Ik niet, zeker met wat ik nu weet.

Ergo – wie goed nadenkt gelooft in de opstanding. Van Jesjoea, maar dan waarschijnlijk ook van onszelf…

maandag 14 april 2014

Kerksnoep

In bevindelijke kerken bestaat de merkwaardige gewoonte om één, twee of drie keer tijdens de preek rollen snoep rond te delen. Zoals we vorige maand zagen neemt dit gebruik af als de preek minder somber wordt en zodra de preekduur onder de vijfenveertig minuten duikt verdwijnt het.

Wanneer dit gebruik is ontstaan heb ik niet kunnen achterhalen, maar het zal ongetwijfeld bedoeld zijn geweest om wakker te blijven tijdens een lange preek. Jarenlang werd dan ook uitsluitend pepermunt gebruikt; King is er groot door geworden. De laatste tijd is het pepermuntje slechts één van de vele kerksnoepjes. Maar nog altijd worden vooral rollen snoep gebruikt omdat die gemakkelijk door te geven zijn door de kerkbank. Kerksnoep vervult daarmee een sociale functie die in gemeenten die dit gebruik niet meer kennen vervuld wordt door begroetingen en gesprekken vóór en koffiedrinken na de dienst.

Maar waarom moesten er pepermuntjes geslikt worden om wakker te blijven? Kennelijk wist de prediker zijn boodschap niet goed meer over te brengen en/ of had de boodschap de hoorder niet veel meer te zeggen.
Je kun niet zeggen dat het aantal verslonden snoepjes tijdens de preek een maatstaf is voor de kwaliteit van de preek, want zoals we vorige week zagen is het één van de wetmatigheden binnen het Nederlandse protestantisme; dus een dominee in een 'zware' kerk kan preken wat hij wil, maar de kauwende kaken krijgt hij niet stil. Toch zegt het wel iets. Als de prediker zo welsprekend is dat je de tijd vergeet, dan vergeet je ook je snoepjes; als de behoefte aan de boodschap (Gods Woord) zo groot is als ten tijde van de Hervorming of onder opwekkingen, dan is er geen behoefte aan kerksnoep. Dus snoepen in de kerk is welbeschouwd een verwerpelijke gewoonte.
De oplossing is niet gelegen in het verkorten van de preek, zoals in de lichtere kerken gebeurt; de aanpak in evangelische kringen, boeiender preken, komt meer in de buurt. Maar ik zie vooral heil in de benadering van evangelist Jacques Brunt: "Een prediker moet prikkelend spreken, zodat mensen uitgedaagd worden het Woord te herontdekken." Druk bladerend in je bijbeltje, mooie gedachten en nieuwe inzichten opschrijvend en aan de lippen van de spreker hangend vergeet en veracht je snoepjes ten enenmale. Waarschijnlijk hopen de kosters er (tegen beter weten in?) nog altijd op dat dit gebeurt, want dat zou de overmatige kerkverlichting verklaren en, als het werkelijkheid wordt, nuttig maken. En zo wordt kerkgaan een zinvolle bezigheid.

maandag 7 april 2014

'Freegans', de moderne vrijbuiters

Is het nodig om goede etenswaren uit afvalbakken te halen?

Het is werkelijk een gedrocht van een woord; maar de inhoud is loffelijk. 'Freeganisme' – een samentrekking (kofferwoord) van "free" (vrij) en "veganism" (levenswijze zonder gebruik van dierlijke producten) – is een vorm van verzet tegen de westerse consumptiemaatschappij, in het bijzonder tegen de verspilling van voedsel die in onze samenleving gewoon is geworden.
Wat doet een freegan? Wel, 'dumpster diven' – weer zo'n waardeloze pseudo-Engelse term. Afvalbakduiken, letterlijk. Het Duits gebruikt 'Containern', ook een waardeloze term. Het Deens heeft er wel een eigen woord voor bedacht: "skraldning", afgeleid van "skrald", afval. Maar het is intussen duidelijk geworden: een freegan duikt in afvalbakken – en waarom? Om daar zijn levensonderhoud uit te halen. Ajakkes…

Maar stel je gerust. Het is meestal niet zo smerig als het lijkt. Je moet niet denken aan half opgegeten boterhammen uit de prullenbak op straat, maar aan zo'n grote afvalbak achter de supermarkt, waar dozen vol wijn, zuivel, groente, fruit en tal van andere puike levensmiddelen zijn te vinden. Alleen het is over de datum, of bijna. Nou en? Over de datum betekent meestal niet "overstuur" (volg de snelkoppeling en overtuig jezelf).
Zo doende is een freegan goedkoop uit; net als zo'n zeeschuimer van vroeger. Een "vrijbuiter" heet zo'n piraat ook wel. Tegelijkertijd staat "vrijbuiter" ook voor iemand die zich niet zoveel gelegen laat liggen aan wat 'hoort', aan hoe men meent dat het moet, aan maatschappelijke regels. Aansluitend aan deze twee betekenissen wil ik er nog een derde aan toevoegen: "iemand die weggegooid goed voedsel uit afvalbakken rooft". Een vrijbuiter is dus wat men tot nu toe nog noemt een freegan en freeganisme is moderne vrijbuiterij. Want een vrijbuiter is letterlijk iemand die vrije buit behaalt. In dit geval gratis voedsel.

Dat deze 'buit' door zijn vorige bezitters werd versmaad is een schande voor de samenleving, een kwade uitwas van het kapitalisme. Het schijnt dat ongeveer een derde van al het voortgebrachte voedsel ongebruikt wordt weggegooid (in Amerika is het nog erger, maar daar hebben we het vandaag niet over). Een deel gebeurt al in de industrie, een deel bij de handel en een deel bij de consument. Het gaat om voor het overgrote deel goed voedsel, met een totale waarde van miljarden euro's per jaar. Dit is wel erg zonde van het geld, maar ook van de milieubelasting die met de voedselbereiding gepaard gaat en bovendien kunnen we het niet verantwoorden tegenover de Schepper en de hongerlijdende medemens.
Het goede nieuws is dat de overheid er nu aandacht aan besteedt en de voedselverspilling bij industrie en supermarkten probeert terug te dringen. Zo is er een documentaire gemaakt over het weggooigedrag van supermarkten. De grootste verspiller van allemaal, Jumbo, heeft zich dit aangetrokken en zoekt nu contact met de voedselbank. Een goed begin.
Maar de situatie is nog steeds schrijnend. Restaurants en evenementen die na 23:00 uur sluiten kunnen moeilijker hun overtollige voedsel kwijt bij voedselbanken (die sluiten eerder) en dus worden er tonnen kostbaar eten in de vuilnisbak gekieperd. En de gemiddelde consument gooit nog evenveel weg als vijf jaar geleden. Kortom: het is goed dat vrijbuiters aandacht schenken aan dit probleem, op hun eigen onconventionele wijze. Eigenlijk smaakt een vruchtensalade van ooft uit de vuilnisbak zelfs lekkerder dan eentje uit de supermarkt, want het is eerlijk voedsel, gered van de verspilling.

Dus, ja: het is nodig om goede etenswaren uit afvalbakken te halen. Dat blijft het zolang Nederland zijn verantwoordelijkheid niet neemt, bang is voor een minder mooi plekje op een appel en niet door heeft dat de datum op een verpakking niet de uiterste, maar de minimale houdbaarheid aangeeft.


dinsdag 25 maart 2014

1 april

1 april 1944 – Volgens de Barneveldse Krant zal er deze dag op het station met de trein uit België een bijzonder paard aankomen, Lirpa 1, een kruising tussen een Belgisch trekpaard en een Nijlpaard, met een buitengewone lengte, kracht en uithoudingsvermogen. Honderden paardenliefhebbers trekken naar Barneveld.

1 april 1969 – Het journaal meldde dat op deze dag een landelijke actie zou worden gehouden om 'zwartkijkers' op te sporen. Controleurs zouden een scanner gebruiken die alleen niet werkte bij een in aluminiumfolie verpakte tv. De volgende dag is in de meeste winkels het aluminiumfolie uitverkocht.

1 april 1981 – Volgens de Britse krant Daily Mail missen de organisatoren van de Londense marathon een Japanse deelnemer. De oorzaak is waarschijnlijk dat in de Japanse versie van de inschrijfbrief stond dat het zou gaan om een tocht van 26 dagen i.p.v. 26 mijl. Mensen worden opgeroepen om de hardloper die al dagenlang bezig is tot stoppen te bewegen.

1 april 2006 – De website Kennislink.nl presenteert het Blauwe Boekje, een tegenhanger van het Groene en het Witte Boekje. De nieuwe spellinggids is vooral gericht op internetgebruikers en sms'ers, bijvoorbeeld door weglating van apostrof en trema. Vierhonderd mensen tekenen in voor een gratis exemplaar.

1 april 2008 – De BBC meldt dat er vliegende pinguïns zijn gevonden. Het gaat om een kolonie Adélie-pinguïns op een eiland ten zuiden van Vuurland. Als bewijs wordt een documentaire vertoond.

1 april 2013 – Google lanceert een nieuwe zoekfunctie, Google Nose, om geuren te zoeken op het internet.

Al minstens vijf eeuwen nemen mensen rond 1 april medemensen in de maling. Hoeveel mensen er precies aan doen is niet bekend; de meeste grappen worden namelijk niet geregistreerd. Maar het zijn er veel; de reden van niet meedoen is vaak vergeten of niet op tijd kunnen bedenken van een goeie grap. Slechts vrij weinig mensen hebben er echt maling aan.

Het CBS becijferde onlangs dat jaarlijks een slordige 10 miljoen euro wordt uitgegeven aan 1-aprilgrappen. Losse schoenveters, plintenladders en blikjes ooievaarskuitenvet zijn gratis, maar je kunt rond 1 april voor een duur grapje komen te staan.
Dat kan goedkoper.

Op aandringen van enkele hogere ambtenaren die de 1-aprilstatistieken onder ogen kregen heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap begin dit jaar besloten een onafhankelijk adviesbureau in te schakelen. Vorige maand kwam dit bureau met het volgende advies: verbied 1-aprilgrappen. Na rijp beraad heeft het ministerie besloten deze raad op te volgen. De verwachting is dat dezer dagen de besluiten in de media komen, waarna er juridische maatregelen genomen kunnen worden. Of dat al gaat lukken vóór 1 april 2014 is zeer de vraag, want één en ander zal de nodige tijd vergen. Maar de afwikkeling zal dan toch nog in de loop van dit jaar moeten plaatsvinden. Spijtig voor de grappenmakers, maar binnenkort is het voorbij.

Grappen maken is leuk, maar het moet geen geld kosten.

maandag 24 maart 2014

West-Veluws sterft uit

West-Veluws sterft uit

Dialectologen luiden de noodklok

BARNEVELD – Het West-Veluwse dialect, gesproken in de Gelderse Vallei en aan de westrand van de Veluwe, staat op het punt uit te sterven. Als er geen maatregelen worden getroffen om deze streektaal nieuw leven in te blazen zal het binnen vijftig jaar verdwenen zijn, melden diverse deskundigen op het gebied van de Nederlandse dialecten.

Uniek
Het West-Veluws is één van de twee hoofdafdelingen van het Veluws, een Saksisch dialect. Het West-Veluws wordt gesproken in het gebied met als voorpost in het noorden Nunspeet, in het zuiden Ederveen, in het westen Scherpenzeel en Bunschoten en in het oosten begrensd door de waterscheiding van het Veluwemassief. Het door sommige dialectologen onderscheiden Gelderse-Valleis overlapt grotendeels met het West-Veluws. Elk dorp kent zijn eigen variant.
Het West-Veluws is de meest westelijke voorpost van het uitgestrekte Saksische dialectgebied en grenst in het zuiden en westen aan de Frankische dialecten en in het noordoosten aan het Fries. Hierdoor is een uniek overgangsdialect ontstaan met zowel Frankische als Saksische kenmerken. Zo is het West-Veluwse woordje "jie" de tussenvorm tussen het westelijke "jij" en het oostelijke "ie".

Zorgwekkend
De invloed van het westen doet zich echter steeds meer gevoelen. Werd de werkwoords- en meervoudsuitgang "-en" oorspronkelijk volledig uitgesproken, waar in het westen de -n ingeslikt wordt en in het oosten de -e-, tegenwoordig is de westelijke variant volkomen ingeburgerd in het West-Veluws. Zorgwekkender is echter de ontwikkeling dat de jeugd de streektaal helemaal niet meer beheerst. In streken als het oosten, noorden en zuiden van het land zullen de dialecten lang standhouden, zeker door sterke plaatselijke dialectverenigingen die tal van initiatieven ontplooien. Dit is echter nauwelijks het geval in het midden van het land waar bovendien na de westelijke gebieden het dialect bedreigd wordt door het Standaardnederlands en door cultuurverandering die ook andere streekkenmerken onder druk zet.

School
Een halve eeuw geleden sprak vrijwel niemand in de dorpen ‘Hollands’. Een anonieme Lunteraan vertelt: “Je heurde nie aanders. Net in Ee, dat het gien eige taol, mar veerder praotte iedereên Veêluws. Wel verschil netuurlijk waor of je vandaon kwam. In Schaarpezeel praotte ze aanders as hier in Lunteren, en in Barreveld nog weer aanders, en hoe veerder of je n’r ’t noorde gaoi, hoe platter of ’t wördt. Bie ons liekt ’t meer op ’t Hollaands as in Koôtjebroek. Mar zoas noe, dat je zwat naarges gien Veêluws meer heur, nee, dat besting nie. Niet alleên bie de boere, mar evezogoed op ’t daarp praotte de kiender gewoôn Veêluws. Op school ok, dus as je van Barreveld noar Lunteren kwam leerde je as kiend op school Lunters. De meesters en juffrouws deeje de lesse wel in ’t Hollaands, dus dat leerde je best. Mar de taol heurde bie de stee waar of je vandaon kwam. Dat gaot de leste tied vurt, en da's iezig zund, waant wie weet noe nog wat "bestreeksele" betekent, of "vleut", of "schoediestel"?”
Een klein dorp met een behoudende, hechte gemeenschap als Kootwijkerbroek is één van de laatste bolwerken van het West-Veluws. Het Veluws klinkt daar ook veel platter dan in Renswoude of Ederveen. Maar zelfs hier dringt langzamerhand het verschijnsel door dat wie een hogere opleiding genoten heeft minder geneigd is dialect te gebruiken; eerst op het werk, maar geleidelijk ook thuis. En in tegenstelling tot streken als Twente en Groningen ontbreekt in de Gelderse Vallei het dialectminnende segment van de intellectuele bovenlaag nagenoeg.
Volgens kenners is het daarom voor het behoud van een belangrijk stuk Veluwse cultuur van groot belang dat er actie wordt ondernomen om het West-Veluws in de Gelderse Vallei nieuw leven in te blazen, bijvoorbeeld door dialectgebuik op scholen aan te moedigen, onder meer door voorlichting. Daarnaast zouden er vertaalprojecten kunnen worden opgezet, zoals een bijbelvertaling in het West-Veluws. In Twente, Groningen, Limburg, Zeeland en Friesland (al is de situatie in die laatste provincie wat anders) hebben dergelijke initiatieven bijgedragen aan eerherstel voor de streektaal.


maandag 17 maart 2014

Goed nieuws

Schaduw van de werkelijkheid nu goedkoop te krijgen  
(‘het klinkt als stompzinnige reclame’)

Aangezien mijn naam verlangt dat ik af en toe met goed nieuws kom heb ik vandaag een mooi bericht. ‘Mijn’ boek Schaduw van de werkelijkheid is nu te koop voor € 12,50.
De vorm doet denken aan Herman Melvilles Moby Dick: spannende gebeurtenissen afgewisseld door wijsgerige beschouwingen. Qua genre lijkt het meer op het werk van Hubert Lampo; Schemertijdmuziek zou ook voor dit boek een goede naam geweest zijn, zowel om de afwisseling van licht, donker, schaduw en schemering als om de muziek die evenzeer een rol speelt in dit verhaal over de werkelijkheid. “Christelijk magisch realisme” schijnt dan ook de beste genre-omschrijving. Maar wees niet bang: die ‘magische’ gedeelten maken slechts een klein deel uit van het boek.

De herhaalde aanwezigheid van inmiddels goeddeels uitgebloeide bosplanten als Witte klaverzuring en Bosanemoon geeft me te kennen dat de lagere grond nog steeds ruim vocht bevat en de aanwezigheid van meer dan het ene beekje niet onwaarschijnlijk maakt, misschien goed voor amfibieën of dergelijk gespuis. Enigszins verbaast het me nog steeds door ongebaande wildernis voort te zwerven. Ik zal toch onderhand wel een pad tegenkomen? Of een kikker… Of een Ree. Dat doet me denken aan een excursie in de Molenpolder jaren terug. Terwijl we met een fluisterboot door het gebied voeren vroeg ik aan de gids of er ook Reeën voorkwamen. Dat was het geval. Er moest zelfs een zwarte Ree huizen; die was tenminste één keer gezien, maar daarna nooit meer. Nog geen tien meter verder varen sprong opeens een Ree op van de kant om met grote krachtige sprongen te verdwijnen in de wildernis.
Het was een zwarte.
Dan, eindelijk, opent zich een weg door de wildernis – een pad, haast drassig, spaarzaam
betreden; en luttele ogenblikken later loop ik op padmos, als eens Johannes, en de klank van mijn schreden versteekt zich in het zachte groen.

Ik moet zeggen nog altijd een beetje trots te zijn op het boek, dat niet alleen mijn gedachten een tijdlang volgt – dat is slechts een middel, een literaire vorm – maar vooral ook een tipje van de sluier oplicht van de grote raadsels van de aarde, zaken waarop de natuurwetenschap (nog) geen antwoord heeft: graancirkels, ufo’s, lichtbollen, leylijnen, geheimzinnige vuurverschijnselen, raadselachtige verdwijningen, wonderen, helderziendheid…

Dus wie het nog niet gedaan heeft raad ik aan het boek te lezen. Vervolgens kun je als je wil met mij of met Kees erover in discussie gaan.
Wel is het jammer dat er nog een paar letterfouten in zijn blijven staan. Daarom heb ik Kees overgehaald om nog een flinke extra korting te geven aan wie het via keesvanreenen@zichzelf.nl bestelt. Overleg maar even.

,,Wie zal de wetenschappers eindelijk eens leren dat iets niet wetenschappelijk hoeft
te zijn om waar te zijn?”
Terwijl Iete dit verzucht ben ik echter al begonnen aan een reactie op het verhaal van
Meander. ,,En misschien zijn alternatieve geneeswijzen in staat een tipje van de
sluier op te lichten.”
,,Ja, zo zou je het kunnen zeggen. Of nee, eigenlijk niet helemaal. Sommige dingen
vertellen ze ons inderdaad, bijvoorbeeld over bepaalde energiebanen, maar veel
blijft duister. Occult – verborgen.”

maandag 10 maart 2014

Voorspelbare kerken

De vele Nederlandse kerkelijke groeperingen zijn bijzonder voorspelbaar. Dat zeg ik niet om voeding te geven aan gefrustreerde ex-kerkgangers en sceptische buitenstaanders, want voor hen is deze bijdrage niet bedoeld; deze week namelijk een stukje dat alleen boeiend is voor mensen die op z'n minst één kerkgenootschap van nabij kennen.

Vertel mij hoe lang je preek duurt en wat er gezongen wordt (en hoeveel mensen er in de kerk zitten), dan voorspel ik wat het hoofdthema van je preken is, hoeveel mensen er aan het Avondmaal deelnemen, hoeveel mannen een spijkerbroek en hoeveel vrouwen een rok/ jurk en indien van toepassing een hoofdbedekking dragen, hoe luid er gepraat wordt voordat de dienst begint, welke bijbelvertaling er gebruikt wordt en hoe de muziek wordt vormgegeven.

Onwaarschijnlijk? Nee, ga zelf maar eens op ontdekkingstocht en je zul merken dat ik gelijk heb. Zo'n ontdekkingstocht is trouwens altijd verrijkend, al kan de voorspelbaarheid waar we het nu over hebben mij wel eens frustreren. Want stel dat ik kerk zoek waar de preek hooguit een kwartier duurt, maar waar het wel vooral gaat over de ellendige toestand van de natuurlijke mens – zo'n kerk bestaat niet. Of ik wil graag opwekkingsliederen zingen, maar dan wel in een gemeente met mooie meisjes met rok en baret – dat blijkt (voor zover ik weet) evenmin te bestaan. Of ik zoek een gemeente waarvan de helft aan het Avondmaal deelneemt en waar uit het Liedboek gezongen wordt – kan niet. Of een preek van 50 minuten en ritmisch psalmgezang – een onmogelijke verbinding. Raar, maar waar.

Het zit namelijk zo. Je kun alle protestantse kerkelijke groeperingen (een enkele uitzondering daargelaten) rangschikken naar vrolijkheid van de boodschap. Zet je dit in een grafiek uit, dan zie je dat als de boodschap vrolijker wordt, de preekduur afneemt en het percentage rokken en hoeden eveneens. Het aantal avondmaalgangers neemt toe. Ook het tempo waarin de psalmen gezongen worden neemt toe, ze worden ritmisch, er komen meer gezangen bij, en uiteindelijk blijven er alleen hetzij liedboekgezangen (in kerken met kinderdoop), hetzij opwekkingsliederen (in gemeenten met geloofsdoop) over. Bij de mannen worden pakken vervangen door spijkerbroeken. Er worden minder (en al snel geen) rollen snoep rondgedeeld tijdens de preek, er wordt steeds drukker gepraat voor en na (en tijdens) de dienst. De kernboodschap van de preek verandert – in de termen van de Heidelbergse Catechismus – van Ellende naar Verlossing naar Dankbaarheid en uiteindelijk is ook van de laatste niet veel meer over en zit je bij de vrijzinnigheid.
Eigenlijk zou je het voor je moeten zien; wie er belangstelling voor heeft kan ik het schema toesturen. De strekking is echter duidelijk: elke gradatie tussen links en rechts is mogelijk, maar de combinatie van kenmerken ligt vast. Helaas, voor degene die de noodzaak van dit-hoort-bij-zus, dat-hoort-bij-zo niet inziet (bijvoorbeeld doordat hij het niet in de Bijbel terugvindt).
Als mensen om één of twee dingen van kerk veranderen (daarbij zie je trouwens vrijwel uitsluitend een beweging van rechts naar links) nemen ze alle andere bij hun nieuwe gemeente behorende kenmerken automatisch over. Het probleem is, opnieuw, dat maar weinig mensen zelfstandig nadenken.


maandag 3 maart 2014

Rrr…

De teloorgang van de tongpunt-r

Herinner je je Dirk Trom nog? Die jongen was nogal gemakzuchtig aangelegd. Als jongetje dat net kon praten sloeg hij letters die hij niet goed kon uitspreken gewoon over en zo werd hij “Dik Tom” (dirk wordt in dubbele zin dik en gaat op de ingeslagen weg voort).
    En jij? Hoeveel r'en spreek jij uit van het titelwoord van vorige week? Ik hoop dat het antwoord "vier" is, maar dan ben je wel een (gunstige) uitzondering. Want de meeste jongeren kunnen de r niet meer goed uitspreken. Hooguit wordt het een brouw-r (huig-r of de rondere 'gehemelte-r'; minder algemeen is de 'wang-r'); de echte Nederlandse tongpunt-r is hard bezig te verdwijnen.
    Een r die aan het eind van een woord staat wordt misvormd tot een bekakte Gooise of eigenlijk Amerikaanse 'r'; waren het oorspronkelijk alleen kakkers uit Den Haag, het Gooi en omstreken, inmiddels hebben jongeren en kinderen die uitspraak overgenomen, ongetwijfeld onder invloed van Amerikaanse tv. Het aantal West- en Midden-Nederlandse kinderen die nog een mooie ronde tongpunt-r uitspreken aan het eind van een woord, is op één hand te tellen. Vooral vrouwen hebben er een handje van, maar mannen volgen hen tegenwoordig spoedig. Na de slot-r en de r vóór een t of d – in de Saksische dialecten van Oost- en Midden-Nederland worden die vrijwel niet uitgesproken, en terwijl invloeden vanuit het westen steeds verder opdringen naar het oosten dringt dit grootste minpunt van het Saksisch steeds verder op naar het westen – volgt de r aan het eind van een lettergreep en vóór letters als s, l en n. Uiteindelijk blijven er alleen een paar g-achtige brouw-r'en over. Let maar eens op hoeveel radiopresentatrices alles “gappig” vinden.
“Vammoige bedacht ik dat ik ma weeҩ naaҩ een concecht wou gaan. Dus ik steek een goot gasveld oveҩ…”
Maar de Groningse gasvelden zijn uit de gratie geraakt, dus laten we liever weer spreken van "grasveld". Hoe dan ook, op die “maneer” gaat het tegenwoordig. Een “modegil”? Ik ben bang van niet. Want Nederland is niet de enige plek waar de tongpunt-r op zijn “getoeh” is.

Duizend jaar geleden werd in alle Europese talen de r uitgesproken met de punt van de tong tegen de bovenkaak. Net als bijvoorbeeld de oe-klank is de r dus een oerletter (vandaar het woord "oer"). Totdat vermoedelijk in de achttiende eeuw een Franse koning een spraakgebrek had en ook op volwassen leeftijd de r niet kon uitspreken en ‘eg maag wat van bgouwde’. Andere Fransen namen die gewoonte over, totdat niet lang daarna de echte r uit het Frans verdwenen was, op enkele dialecten na. Het Portugees volgde spoedig. Later, vermoedelijk in de negentiende eeuw, volgde ook het Duits, maar anders dan in het Frans, waar de huig-r tamelijk consequent wordt uitgesproken, klinkt hij uit de mond van moderne Duitsers alleen nog maar daar waar je er echt niet omheen kunt, bijvoorbeeld in "raus". In het Deens is er zelfs van zulke r’en “vjijwel niets meê te hôgen”. Intussen was er een bekende Engelse dame geweest die een nog erger spɔaakgebɔek had dan de Franse koning. Door haar populariteit werd haar vreemde uitspraak al snel door bijna alle Engelsen overgenomen. Alleen in dialecten als het Schots bleef de echte r bewaard, maar die dialecten verliezen snel terrein. In Amerika werd het Engels de voertaal. Het Brits Engels klonk voor de vrijgevochten pioniers echter veel te beschaafd; bovendien is dat accent lastig als je dronken bent, dus zodoende werd de t in woorden als "water" een [d] en gingen de Amerikanen, waar de Britten “oveh” de r heen zweven, er omheen “dҩaaien”.
    Helaas bleef de teloorgang van de tongpunt-r niet beperkt tot het Engels, Deens, Duits, Frans en Portugees. Zelfs in r-bolwerken als Zweden en Spanje treedt hier en daar al vervaging op, maar in Italië en vooral in Noorwegen en Nederland is als er geen tegengas wordt gegeven de echte r binnen een mensenleeftijd verdwenen, enkele marginale dialecten uitgezonderd. Nog even en we moeten naar Finland om iemand te vinden die de titel van dit stukje kan uitspreken.

De r is een moeilijke letter; zowel kleine kinderen als ouderen hebben er moeite mee. Desalniettemin kennen alle Indo-Europese en vele andere talen van oorsprong de echte tongpunt-r en is de teloorgang daarvan een nieuw verschijnsel. Ook andere moeilijke letters verdwijnen trouwens; bijvoorbeeld uit het Nederlands de [th] en uit het Engels de harde [ch]. Kennelijk heeft gesproken taal (evenals het leven, waarover later) de neiging tot vereenvoudiging, degeneratie. Niet iedere verandering is een verbetering, zoals we eind december zagen. Het verdwijnen van de tongpunt-r maakt een taal slap en futloos. Amerikaans Engels en modern Nederlands kun je vrij makkelijk half slapend mompelen; dat lukt je niet met een krachtige taal als het Spaans. Hoor hoe krachtig een woord als "territorios" klinkt. Daarom: wil je sterk overkomen, herontdek de Nederlandse R.


Dit betoog kwam tot stand mede dankzij de Taaladviesdienst van het genootschap Onze Taal.


maandag 24 februari 2014

Oormerkweigeraar

Onlangs was de Friese oormerkweigeraar Thom de Groot weer in het nieuws. Of nu ja, in het nieuws… slechts weinig media schonken aandacht aan het treurige gebeuren dat de Nederlandse Voedsel- en WarenAutoriteit achttien koeien en kalveren ophaalde van de boerderij in de buurtschap Goattum onder Grou. De meeste kranten beschouwen De Groot en zijn weinige medestanders als de laatsten der Mohikanen, wier strijd reeds als verloren moet worden beschouwd. Want De Groot en nog enkele tientallen boeren weigeren hun rundvee te oormerken.

Wie wel eens koeien ziet kent ze wel, die gele flappen die ze in hun oren dragen. Op deze oormerken staat het levensnummer waaronder het dier geregistreerd staat. Dat is handig voor de overheid, want zo kan niemand een koe kopen of verkopen zonder dit te melden bij Dienst Regelingen. Ook kunnen misstanden, zoals het hormoonschandaal in de jaren 90, waarvoor het oormerkenstelsel is opgezet, worden voorkomen. Voor de boer is het ook handig, want zo kan hij zijn dieren herkennen. Wie zijn dieren wil herkennen zonder oormerken en toch, zoals De Groot, meer dan 60 koeien houdt, moet een bonte verzameling vee hebben (dus niet allemaal van dezelfde kleurslag) en een goede boer zijn met oog voor zijn dieren.
Maar waarom zouden boeren hun dieren niet willen oormerken? Wel, dat leggen ze uit op www.koeienzonderoormerken.nl. De belangrijkste argumenten: dierenwelzijn: het oormerken van een kalf is pijnlijk, hoewel kort; en het oor wordt beschadigd ('verminking'); en schoonheid: die gele flappen zijn ontsierend; oormerkloze koeien zijn – inmiddels zeer zeldzaam – onderdeel van ons agrarisch erfgoed.
Nu bestond er destijds een uitzonderingsbepaling voor gewetensbezwaarde boeren. Maar het lelijke is dat nieuwe boeren niet mogen toetreden. Zodoende worden boeren als Thom de Groot, wier vader principieel oormerkweigeraar was, niet 'wettelijk erkend' en dus worden ze gekort in eventuele subsidies en toeslagen.
Nu gaat ineens het gerucht dat boer Thom zijn dieren slecht verzorgt en daarom moest op 14 februari een deel van zijn veestapel worden opgeladen en elders worden ondergebracht. Als dat waar is, is dat een vreselijk stomme zet van een boer die dierenwelzijn hoog in het vaandel heeft staan. Ik heb de bewuste koeien niet gezien, maar het lijkt erop dat de beschuldiging vals was, want vorige week, op 20 februari, meldde Omrop Fryslân dat veearts Rouwé, die een tegenonderzoek uitvoerde, tot de conclusie kwam dat alle achttien dieren gezond waren.

Hoe dan ook, ik ben van mening dat het weigeren van (runder)oormerken mogelijk moet blijven, mits de betreffende boer zijn vee en boekhouding in orde heeft. Ik denk niet dat als ik een paar koetjes zou aanschaffen ik als voorwaarde zou stellen dat ze oormerkvrij zouden moeten zijn (hoewel ze in elk geval hun hoorns nog zouden moeten hebben), maar ik vind het een schande dat een uitzonderingsbepaling voor gewetensbezwaarde boeren wordt afgeschaft. Ik weet niet wat u doet, maar ik teken de petitie.


Nella fantasia io vedo un mondo giusto,
Lì tutti vivono in pace e in onestà…

maandag 17 februari 2014

PostNL prijst zich uit de markt

Omdat de tijd van het jaar vorige week om een romantisch onderwerp vroeg moest ik deze reactie op nieuw nieuws over het Nederlandse postbedrijf PostNL even uitstellen, maar hier is hij dan, in onafgezwakte vorm.

Opnieuw is PostNL in het nieuws, en wederom in ongunstige zin. Overigens ligt de schuld niet geheel bij PostNL zelf, want er zijn twee andere boosdoeners:

1.      Dalende postvolumes. PostNL reageert daarop echter zeer onverstandig door de prijs van postzegels voor de zoveelste keer in korte tijd te verhogen, daarmee een neergaande spiraal inzettend: mensen versturen minder post → postzegels worden duurder → mensen versturen minder post… En dit terwijl de eerste noodzaak van een moeizaam lopend bedrijf is de klant tevreden te stellen en te houden. Maar de klant is (nog) niet tevreden, getuige de vele opmerkingen die op het internet te vinden zijn:
·         "Bij mij wordt geregeld verkeerde post bezorgd."
·         "Ik krijg mijn post vaak te laat of zelfs helemaal niet."
·         "Er zijn steeds minder brievenbussen en postkantoren."
·         "De directie van PostNL verdient schandalig veel."
·         "Postbodes worden ontslagen. Postbezorgers worden slecht betaald."
·         "Postzegels worden onderhand onbetaalbaar."

2.      De overheid, die destijds het postbedrijf afstootte, met als gevolg concurrentie. PostNL reageert daarop echter zeer onverstandig door op minder dagen te willen bezorgen. Goed, dat de maandag afgestoten wordt, daar kan ik inkomen, gezien de uiterst beperkte hoeveelheid maandagpost en het belang van een vrije zondag voor iedereen. Maar het idee om de woensdag- en vrijdagbezorging ook af te schaffen is je reinste dwaasheid; woordvoerder Van Bastelaar zou zich diep moeten schamen. Ik heb de aandelenkoersen niet gevolgd, maar het zou me niet verbazen als het aandeel van PostNL op dit nieuws reageerde door in waarde te halveren. Je kun zien aankomen wat er gebeurt: PostNL gaat van vijf naar drie bezorgdagen, concurrent Sandd schroeft op van twee naar drie dagen – en de achterstand is ingelopen. Een postbezorger kan er nauwelijks trots meer op zijn voor hét Nederlandse postbedrijf te werken.
Opnieuw: privatisering is fnuikend voor een nationale dienst als de post, de spoorwegen, de snelwegen en rijkswateren, de politie… De enige juiste beslissing van de overheid zou zijn om de post weer bij het Rijk onder te brengen. Tot zolang moet PostNL wat verlies bij de afdeling Productie (een slecht gekozen term voor sortering + bezorging) voor lief nemen, gezien de nettowinst die het bedrijf nog altijd maakt.

Kortom: slechtere dienstverlening, hogere prijzen. De leus van Aldi is "hoge kwaliteit, lage prijs"; de leus van PostNL lijkt te zijn: "lage kwaliteit, hoge prijs". Nu zijn er wel verbeteringen doorgevoerd ten opzichte van het 'rampjaar' 2012 met de mislukte reorganisatie, maar als PostNL één stap vooruit zet, zet het er twee achteruit. Buitengewoon jammer.

maandag 10 februari 2014

Romantiek in de Bijbel

Het verhaal van Mosjee

Sommigen krijgen uit Schaduw van de werkelijkheid misschien de indruk dat ik een vrouwenhater ben. Dat is echter niet terecht. Daarom dit keer een romantisch onderwerp: een liefdesgeschiedenis.
Een goede bron voor liefdesverhalen uit het verre verleden is de Bijbel. Het Hooglied is bekend, maar in wat korter bestek zijn er nog heel wat meer prachtige verhalen. Eén daarvan is het verhaal hoe Mozes, of juister Mosjee, aan zijn vrouw kwam.

Het verhaal speelt zich af rond 1500 voor Christus in het oude Egypte. De in de Nijldelta woonachtige nakomelingen van aartsvader Ja’akov waren zozeer in aantal toegenomen dat de farao (waarschijnlijk Thotmes III) hen als een bedreiging was gaan beschouwen en hen onderdrukte door hoge belastingen, dwangarbeid en het vermoorden van pasgeboren jongetjes. In deze tijd wordt in een levietengezin een mooi jongetje geboren dat uiteindelijk door farao’s dochter (Hatsjepsut?) als kind wordt aangenomen en opgroeit aan het hof. Als hij op 40-jarige leeftijd een Egyptenaar doodslaat die een Hebreeuwse volksgenoot van deze Mosjee afranselt slaat hij op de vlucht in oostelijke richting en komt terecht in Midjan. Dwalend door de woestijnsteppe vindt hij een bron, waar hij uitrust.
Dan duiken er dorstige schaapskudden op, met hun begeleidsters: zeven herderinnen. Even later naderen van de andere kant nieuwe kudden, geleid door herders die niet zoveel ontzag hebben voor meisjes en hen wegjagen om hun eigen kudde als eerste te drenken. Nu komt Mosjee in actie. Dit kan hij natuurlijk niet laten gebeuren: een stel arrogante kerels die voordringen en die lieftallige meisjes aan de kant duwen. Verontwaardigd grijpt hij twee van die herders bij de lurven, slaat hen met de kop tegen elkaar en stoot en hen dan van zich af. De anderen, bang geworden van de woedende Egyptenaar, druipen af.
Vriendelijk nodigt hij de herderinnen naderbij en put uitputtend voor hun wolvee. De meisjes bedanken de vreemdeling en keren vroeger dan anders huiswaarts. De Hebreeuwse Egyptenaar kijkt hen na.

Thuisgekomen kijkt de vader van de zeven zussen verbaasd op dat ze al terug zijn, waarop ze hem vertellen van de vriendelijke Egyptenaar. Vader is bijna verontwaardigd dat ze hun redder daar hebben laten zitten in plaats van uit te nodigen voor de maaltijd. Dus snellen de meisjes terug naar de plek waar Mosjee nog steeds zit en vragen hem schuchter om mee te gaan naar hun huis. Mosjee wil natuurlijk niets liever, want hij is wat voor de meisjes gaan voelen. Als ze hem onderweg vertellen dat ze zussen zijn, wordt het aanbod dat hun vader Jitro hem doet nog verleidelijker: hij kan zolang als hij wil bij hen verblijven, de kudden weiden en wachten tot zijn patriottische misdaad in Egypte vergeten is en hij weer kan terugkeren naar zijn volk.
Intussen kan hij de zeven maagden – dat was in die tijd nog synoniem voor "meisjes" – beter leren kennen. Het lijkt het paradijs wel. Uiteindelijk kiest hij Tsipora, het leukste meisje en degene die zich het meest tot hem aangetrokken voelt, als zijn vrouw.
Dit geeft Mosjee de kracht die hij nodig heeft voor de toekomst, want er wachten hem nog tientallen zware jaren.


maandag 3 februari 2014

Verjaardagen, lekker nuttig


,,Ga je nu al? Je bent er net.”
,,Ja. De wet schrijft voor dat ik me op dit verjaardagsfeestje vertoon, maar niet hoe lang ik moet blijven.”
,,Dat klinkt als tegenzin.”
,,Ja… je kun nog beter televisie kijken dan naar een verjaardag gaan.”
,,Hoezo?”
,,Het is allebei tijdverspilling, en een verjaardag is bovendien vermoeiend.”
,,Een verjaardag is toch leuk? Hoezo tijdverspilling?”
,,Als je iemand wil zien maar niet wil spreken moet je naar z’n verjaardag gaan. Het grootste deel van de avond moet je over koetjes en kalfjes praten met mensen met wie je niks heb.”
,,Verjaardagen zijn toch gezellig?”
,,Welnee.”
,,En je eigen verjaardag dan?”
,,Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet het ook een ander niet. Als ik niet uitgenodigd wil worden voor verjaardagsfeestjes, dan zal ik dat ook anderen niet aandoen.”
,,Zo mis je wel een mooie kans om mensen te leren kennen.”
,,Des te beter. Hoe meer mensen je ken, hoe meer verjaardagen, bruiloften en begrafenissen je heb.”

De hoenders stuiven kakelend uiteen om de knuppel te ontwijken.

Hoe irritant kun je zijn?

maandag 27 januari 2014

Is schoonheid subjectief? (II)

Esthetisch gevoel en het belang van schoonheid

In het stukje van vorige week ging het steeds over schoonheidsgevoel. Is het dan toch een kwestie van gevoel in plaats van van harde maatstaven? Deels; en dat komt voor een deel door gebrek aan kennis van die maatstaven. Vergelijk het met taalgevoel. Heel wat taalfouten (van bijvoorbeeld een buitenlander) in jouw moedertaal zie je door taalgevoel, zonder precies te kunnen beredeneren waarom het fout is. Zelf kan ik op basis van taalgevoel bijvoorbeeld feilloos aangeven wanneer je "zichzelf" moet gebruiken en wanneer "hemzelf", hoewel ik geen idee heb van de regels daarover. Desondanks blijft het ervaren van schoonheid zuiver gevoel.
Ik hoor iemand denken: nu sluit dat buitenbeentje dat hamert op het belang je te onderscheiden van de massa zich toch aan bij de mening van de massa, het schoonheidsgevoel van de mensheid. Klopt. Hier zit mijns inziens namelijk de belangrijkste uitzondering op de 'regel' van Nicolas Chamfort "Men kan ervan opaan dat alle eeuwenoude overtuigingen, alle gevestigde meningen, dwaasheid zijn, juist omdat ze door de grote massa werden aanvaard": vele eeuwenoude, massale overtuigingen zijn een uitdrukking van de natuurorde (vergelijk de "ideeënwereld" van Plato) en dus is juist verwerping daarvan dwaasheid. (Desgewenst kan ik daar nog eens een bijdrage aan wijden.)

Een sarabande of een Wit-Russische volksdans ís mooier dan een dansje in de discotheek. Wie het daar niet mee eens is heeft een andere definitie van "mooi" dan "vol schoonheid".
Kortom, er bestaat universele en dus objectieve schoonheid. Zo besluit ook een wijsgeer als Kant, die als maatstaf ter beoordeling noemt dat een object doelmatig moet zijn, dat wil zeggen: de onderdelen moeten kloppen, in harmonie zijn. Er zouden wel meer aspecten te noemen zijn, bijvoorbeeld: afwijken van het gewone (dat maakt sneeuw voor ons mooi), maar geen uitersten (een volslanke vrouw is mooier dan een moddervet of graatmager exemplaar). Vaak is het een combinatie van kenmerken dat bepaalt in hoeverre iets mooi is.
Doordat er objectieve schoonheid bestaat heb ik afgelopen lente kunnen schrijven hoe belangrijk die is. Nog een paar voorbeelden en gedachten als vervolg daarop.
"Alleen schoonheid kan de wereld redden" schreef Fjodor Dostojevski. De schoonheid die de Orthodoxe dorpskerk bood bracht het leven van de arme plattelandsbevolking op een hoger plan. Dostojevski had het geluk niet meer te hoeven meemaken hoe het communisme de kerk verving door de kloeb, een betonnen doos waarin vooral propagandatoespraken werden afgestoken. Het volk raakte afgestompt en verloor zijn levenslust. De oude volksdansen, een belangrijk element in de dorpsgemeenschap, werden onderdrukt en de alternatieven vonden nauwelijks ingang. (Ook het verdwijnen van het geloof droeg bij aan de afstomping; de Russische schrijver Astafjev vertelt: "… veel geboden volgens welke onze voorouders leefden hebben we simpelweg afgeschaft (…) maar ongeloof heeft in veel gevallen geleid tot verlies van de nationale waardigheid en maakt dat we ons nu in bochten wringen en via luidsprekers schreeuwen en soms de duivel moge weten wat naäpen.")
Romanschrijfster Marlo Schalesky besluit een dialoog tussen een klein meisje en haar moeder als volgt:
(…) Ze voelde aan een stukje kant. ‘Iedereen is mooi in deze jurk.’
Nora keek op naar haar dochter. ‘Kleren maken niet de man, Ellie Jean. Wat de mensen ook denken. Soms zien ze alleen de buitenkant. Soms zien ze de waarheid pas onder ogen als die mooi is ingepakt.’
Een mooie toespraak leidt de aandacht niet af van de boodschap, maar laat die des te dieper doordringen. De schoonheid van de natuur spoort je ertoe aan de gezonde buitenlucht op te zoeken. Schoonheid maakt het leven draaglijk (pessimist), geeft het leven Schwung (optimist).

Hoe zou in de hemel iedereen met volle teugen kunnen genieten zonder objectieve schoonheid? Of zou van iedereen die straks op de nieuwe aarde mag leven vooraf het schoonheidsgevoel aangepast worden aan het landschap daar ter plaatse? De vraag stellen is haar beantwoorden. Dat kan niet de bedoeling van de schepping zijn. Er moet een ingeprogrammeerd universeel schoonheidsgevoel bestaan, bij sommigen nog werkzaam, bij velen bedolven onder dikke modderlagen, sluimerend.


Tot zover deze vrij uitgebreide behandeling van een mooi onderwerp. Mocht je het er toch niet mee eens zijn, of er meer over willen zeggen of horen, reageer dan gerust.


maandag 20 januari 2014

Is schoonheid subjectief? (I)

Universele schoonheid

Is een IJsvogel mooier dan een maraboe? Een paradijsvogel dan een kraai? Een passiebloem dan een Eendagsbloem? Of is dat allemaal relatief, afhankelijk van je smaak?
Is schoonheid subjectief, oftewel afhankelijk van de beschouwer? Deels wel, dat geef ik toe. Maar er is objectieve schoonheid, er bestaan universele maatstaven voor wat fraai is en wat niet. Die maatstaven zijn echter tamelijk moeilijk vast te stellen en dat is naar mijn mening de verklaring voor het feit dat tallozen schoonheid beschouwen als iets louter subjectiefs.
Ik kan het niet bewijzen, maar ik vermoed dat men in de achttiende eeuw, toen de Avondlandse cultuur op zijn hoogtepunt was, er niet aan twijfelde of schoonheid was een natuurgegeven en de mate waarin iets die bezat niet afhankelijk van de beschouwer; en dat doordat de hoogstaande cultuur geleidelijk teloorging en alle absolute waarheid ter discussie werd gesteld, ook de kennis van universele schoonheid dieper wegzakte.

Bestaat er objectieve schoonheid? Ja. Ik zal dat bewijzen met een voorbeeld. Zouden Miss-verkiezingen mogelijk zijn zonder enige overeenstemming over schoonheid? Natuurlijk worden de winnaressen bepaald op grond van aantal stemmen, maar de lelijkste mokkels (mijn verontschuldigingen aan onknappe lezeressen, van wie misschien de meesten meer inhoud hebben dan degenen met een leuke buitenkant) zul je er niet aantreffen. Het ene jurylid houdt van een lief gezichtje, een ander van een brutaal smoelwerk, maar desalniettemin zien we tegen de achtergrond van deze wedstrijden enkele duidelijke lijnen zich aftekenen:
a)     Een regelmatig gezicht is mooier dan een asymmetrisch gezicht.
b)     Lang haar is voor een vrouw mooier dan kort haar.
c)   Kunstmatige schoonheid (beschilderde gezichten, oorhangers en dergelijke) moet het afleggen tegen natuurlijke schoonheid.
d)     Een jurk is mooier dan een broek.
e)     Een fleurige, zwierige jurk is mooier dan een strak pakje.
De punten a, b en d spreken voor zich en ieder met enig gevoel voor schoonheid zal ze zonder meer beamen. Ze maken onderdeel uit van een universeel schoonheidsideaal. De andere twee behoeven enige toelichting.
Om met het laatste te beginnen: niet voor niets kenmerken folkloredansen, waarin schoonheid een centrale plaats inneemt, zich door kleur en zwier. Bij moderne popdansen gaat het om andere zaken en dus wordt daar andere kleding gedragen. Wijde kleding richt de aandacht op zichzelf, strakke kleding richt de aandacht op het lichaam.
Wat betreft punt c: Ten eerste is kunstmatige schoonheid, bijvoorbeeld verkregen door plastische chirurgie, bedoeld om afwijkingen van het natuurlijke schoonheidsideaal tot een minimum terug te brengen.
Het natuurlijke schoonheidsideaal – zit gevoel voor schoonheid, en zelfs de bijbehorende maatstaven, dan in de natuur ingebouwd, ingeschapen? Ja, daarvan ben ik overtuigd, althans wat de mens betreft. Universeel esthetisch gevoel is het schoonheidsgevoel van de mens, want het heeft geen zin het esthetisch gevoel van een beer of van een ster hierbij in beschouwing te nemen. Dus als het gaat om de vraag of iets mooi is zijn er criteria waarover de hele wereld, ondanks alle culturele verschillen, het min of meer eens is. En dat komt waarschijnlijk heel eenvoudig doordat de hele mensheid afstamt van een enkel mensenpaar; en ik durf nog een stap verder te gaan: doordat de Schepper iets van Zijn schoonheidsideaal in de mens 'geprogrammeerd' heeft. En daarmee is het schoonheidsideaal werkelijk universeel.
En nu zien we het tweede argument waarom natuurlijke schoonheid het wint van kunstmatige: als een schoonheidsideaal en gevoel voor wat mooi is in de natuur zit (in onze genen om precies te zijn), dan moet dat berusten op natuurlijke schoonheid.


wordt vervolgd

maandag 13 januari 2014

Weg met de koopzondag!

Vorig jaar heeft het parlement een wetsvoorstel van GroenLinks en D666 aangenomen om voortaan gemeenten zelf te laten beslissen over winkelopenstelling op zondag. Hiermee verviel de randvoorwaarde van toerisme. Dat laatste is wel enigszins begrijpelijk, gezien de rechtszaken die er gevoerd zijn over de vraag of een betreffende gemeente nu wel of niet toeristisch was. Maar nu is het hek van de dam. Amersfoort, Roosendaal en Raalte hebben al verregaande verruimingsmaatregelen getroffen en andere gemeenten volgen.
Ook in mijn eigen woonplaats Veenendaal blijft de koopzondag op de agenda. Eind vorig jaar is een initiatiefvoorstel voor een wekelijkse koopzondag verworpen. De VVD, die landelijk voorstemde, stemde in Veenendaal tegen vanwege het huidige coalitieakkoord. Maar dat vervalt met de komende gemeenteraadsverkiezingen.

Met name de christelijke partijen zijn tegen de koopzondag. Begrijpelijk. De CU-fractie in Veenendaal verwoordt het zo: "De partij vindt de rustdag geen juk dat ons in onze mogelijkheden beperkt, maar juist een briljante gave waarmee de week mag worden gestart. Een ritme dat zich bewezen heeft."
Maar niet alleen is de wekelijkse rustdag een bijbels gebod en in Nederland een deel van ons joods-christelijke erfgoed – om die reden zou ook de PVV tegen verruiming moeten zijn, maar op Wilders is zoals bekend geen staat te maken –, maar ook zijn er belangrijke sociaal-economische redenen waarom zondagsopenstelling van winkels onwenselijk is.
(Dat de eigenlijke rustdag de laatste dag van de week is, dus zaterdag, is een discussie die we hier buiten beschouwing moeten laten; en voor het misverstand dat maandag de eerste dag van de week zou zijn heb ik nu evenmin ruimte.)

Naast de drie christelijke partijen is alleen de SP tegen koopzondagen. En zij heeft daar goede argumenten voor. Niet voor niets is de SP de enige partij met iets van "sociaal" in haar naam.

Een euro kan maar één keer worden uitgegeven. Algehele zondagsopenstelling zal dus geen omzetvergroting opleveren, maar slechts een spreiding of herverdeling. Het gevolg is een 24-uurseconomie die bepaald bevorderlijk is voor de psychiatrie en bepaald niet voor het milieu en de winkelier.
Uit onderzoek blijkt trouwens dat de meeste mensen (twee derde) hechten aan de vrije zondag. Alleen denken ze er dan niet allemaal bij na dat ook af en toe op zondag een winkel bezoeken kwaad zou kunnen. Vooral kleine winkeliers met weinig personeel verzetten zich tegen zondagsopenstelling. Sommige gemeenten leggen winkels zelfs de verplichting op hun winkel op (bepaalde) zondagen open te stellen, anders kunnen ze sluiten. Maar ook zonder gemeentelijke verplichting kan een winkelier voor dit dilemma komen te staan: klanten lopen weg, naar de grote jongens die graag op zondag open zijn. Het Midden- en Kleinbedrijf dreigt zodoende een zware aderlating te moeten ondergaan, waardoor de schaalvergroting in een stroomversnelling zal komen. Een partij als de VVD heeft daar zoals bekend geen bezwaar tegen, maar socialisten en anderen voor wie de economie niet het hoogste goed is staan toch anders in het leven.
Om tegen deze dreigende sanering een vuist te kunnen maken hebben winkeliers zich verenigd in de Stichting Tegen Verruiming Koopzondagen. Uit onderzoek blijkt keer op keer dat MKB'ers de dupe zijn van de nieuwe winkeltijdenwet. Met wisselend succes, maar met tal van sterke argumenten voert deze organisatie daarom actie om het aantal koopzondagen te beperken. Die argumenten kun je ter plaatse nalezen, voor zover hierboven nog niet genoemd. Ik sluit af met een aardig geval.

In het dorp Doorn (dat sinds enige jaren deel uitmaakt van de kunstmatige fusiegemeente Utrechtse Heuvelrug, die onlangs een koopzondagenproef is begonnen) ligt een stukje verhard terrein al vele jaren ongebruikt; waarschijnlijk zwaar vervuilde grond. Wat er ooit gestaan heeft is nauwelijks meer te zien. Alleen één tekst prijkt nog altijd trots op een metershoge zuil: "óók zondags geopend!"

Het lot van zondagsopenstelling…

dinsdag 7 januari 2014

Zondagmorgen

Langzaam, bijna aarzelend ontwaak ik na een heerlijke nacht slaap. Vers zonlicht dat door het gordijn mijn kamer binnensijpelt wekt het sluimerende bewustzijn voorzichtig voor de nieuwe dag. Zondag. Ik merk dat aan de stilte, meer dan welkom na de jachtige hectiek van de werkweek. Ons droomhuis ligt nog in diepe rust – onze kerk begint pas laat – en buiten wordt de stilte slechts doorbroken door het zachte gefluit van een enkele vogel. Verder ademt alles rust en vrede, een weldadige stilte waar ik een tijdlang stil van lig te genieten.
Totdat de rust verstoord wordt door het geronk van een automotor. Als bij toverslag is het gedaan met mijn rust. Ik spring mijn bed uit en schuif het gordijn van voor het raam. Wie moet er nu zo nodig op zondagmorgen door de straat rijden? Vanuit mijn torenkamertje heb ik zicht op de straat en kan ik de auto die zojuist voorbijlawaaide helemaal volgen, tot waar hij het plein van de kerk opdraait. Ah, juist. Een kerkganger. En ook nog eentje die zo nodig op het kerkplein moet parkeren, hoewel de wagen bepaald niet de indruk wekt dat zijn eigenaar slecht ter been is.
Intussen is het druk geworden; de straten zijn vol kerkgaande auto’s die kriskras door elkaar elk naar de kerk van hun voorkeur rijden. Zo hoort dat, schijnbaar. Vergelijk dat dan eens met vroeger, toen de zondagmorgenstraten vol waren met wandelende kerkgangers. Weer een reden om terug te verlangen naar de goede oude tijd.
Zuchtend keer ik me af van het raam. Ook op zondagmorgen is de rust van korte duur. Nu wordt dat evenwel niet veroorzaakt door de ‘wereld’, maar door die fijne kerkgangers die de mond vol hebben over zondagsrust en zondagsheiliging...



maandag 30 december 2013

Taal verandert

Is het misplaatst om rond de jaarwisseling, die in het teken staat van de veranderlijkheid en vergankelijkheid der dingen, te schrijven over een betrekkelijk onbelangrijk onderwerp als taalverandering? Het zij zo.

Iedere verbetering is een verandering, maar niet elke verandering is een verbetering. Dat geldt beslist ook voor taal. Vele taalkundigen hebben de neiging een nonchalant-defaitistische houding aan te nemen ten opzichte van taalfouten: taal verandert, dus op den duur zal een veelgemaakte fout als goed worden beschouwd. Apekool. Een taalkundige zou het, naast wetenschappelijk taalonderzoek, als zijn taak moeten beschouwen de juiste taalverandering te bevorderen en de verkeerde taalverandering af te remmen. Idealist als ik ben, ga ik er vanuit dat dat mogelijk is.

Er is namelijk taalverandering die we als verbetering kunnen beschouwen en er is taalverandering die een verslechtering inhoudt. En ten slotte zijn er ook heel wat nieuwe ontwikkelingen, woorden en grammaticale noviteiten, die daar ergens tussenin zitten; neutrale taalverandering dus. Hieronder worden deze drie mogelijkheden uitgewerkt a.d.h.v. enkele voorbeelden waaraan je zelf andere kun toevoegen.

Er zijn grofweg drie vormen van taalverslechtering te onderscheiden
a.       'vervuiling' van de taal door buitenlandse invloeden
b.      verlies of ontbreken van logica
c.       veronduidelijking
d.      taalverarming
Bij punt a: Zoals kastanjes aan een appelboom en sigarenbandjes in een herbarium, zo misstaan Franse en Engelse woorden in het Nederlands.
Soms is een vernieuwing werkelijk een verslechtering:
-         overbodige of vertaalbare leenwoorden (bv. "cool" voor "tof", "jungle" voor "rimboe", "bypass" voor "omleiding", "spotten" voor "waarnemen"; ouder zijn bv. "garage" voor "wagenschuur", "puissant" voor "machtig", "bar" voor "toog", "baviaan" voor "hondskopaap"; eerder al werd "onderwerpelijk" verdrongen door "subjectief", "ooft" door "fruit", "miskwaamd" door "gehandicapt") (a)
-         verdwijnen van woorden (bv. " aanritseling", "geitenfuif", "hemeldragonder", "nachtkroeger", "speldengeld", "spijkertjeswee", "verzen(en)" en vele andere, verzameld in het Verdwijnwoordenboek van Ton den Boon) (d)
-         verwijding van een begrip als "letterlijk" (c)
-         vreemde spreektaalconstructies als "binnen nu en vijf minuten", "hun" als persoonlijk voornaamwoord (b,c)
-         nieuwe regel voor samengestelde zelfstandige naamwoorden ("geneeskrachtigeplantengids" i.p.v. het betere "geneeskrachtige-plantengids", "Tweede Kamerlid" i.p.v. "Tweede-Kamerlid") (b)
-         teloorgang van de tongpunt-r (zie binnenkort) (d)

Soms is niet duidelijk of de oude dan wel de nieuwe vorm het wenselijkst is, of zijn ze om het even:
-         verdwijnen van naamvallen (heeft zowel voordelen (vereenvoudiging) als nadelen (veronduidelijking, bijvoorbeeld in "Goliat was den reus dien David doodsloeg.")
-         woorden veranderen van betekenis (bv. "begrijpen" betekende ooit "omvatten", "boos" betekende "slecht", "tuin" betekende "omheining")
-         "jij" wordt steeds vaker "je" (schrijftaal)
-         woordvolgorde (bv. "… die het zoude gemakkelijk maken" werd "die het (ge)makkelijk zou maken")
-         al of geen tussen-n; hoe de regel luidt is minder van belang dan dat de regel logisch en duidelijk is

Soms is taalverandering inderdaad verbetering. Ontwikkelingen als de volgende verlangen daarom te worden aangemoedigd dan wel werden destijds terecht bevorderd:
-         noodzakelijke leenwoorden (bv. "zich", "koffie", "energie, "elektrisch" en abstracte begrippen als "concreet" en "abstract") (d)
-         Nederlandse vervanging voor nieuwe leenwoorden (bv. "omroep" voor "broadcasting corporation", "frisdrank" voor "softdrink", "strafschop" voor "penalty", "puntenmaker" voor "topscorer", "taakploeg" voor "taskforce",  "insteekgeheugen" voor "memory-stick") (a)
-         leestekens: beperking kommagebruik, verruiming mogelijkheden puntkomma (b,c)
-         "u" wordt 2e persoon enkelvoud (b)
-         verdwijnen van hoofdletter bij zelfstandig naamwoord (c)
-         hoofdletter bij aardrijkskundige bijvoeglijke naamwoorden (bv. "Aragonees" i.p.v. "aragonees") (b,c)


"Taalfouten doen er niet toe, want taal verandert toch..." Bullshit.

maandag 23 december 2013

Woord van het jaar 2013

Elk jaar wordt door meerdere instanties een woord-van-het-jaarverkiezing gehouden. Over het algemeen een weinig zinvolle bezigheid, gezien de onzinwoorden die dan kandidaat staan of zelfs verkozen worden. Slechts af en toe wordt er een nieuw woord gemunt dat met recht "woord van het jaar" mag heten. Vorig jaar hadden we er zo eentje: "plofkip". Overigens is dit woord al enkele jaren eerder bedacht, naar verluidt door Wouter Klootwijk. Ook al zal de Dierenbescherming soms overdrijven in haar beschrijvingen van dierenleed, "plofkip" is schitterende vondst voor het moderne slachtkuiken, een nepkip die veel te snel groeit om een fatsoenlijk leven te hebben en fatsoenlijk vlees voort te brengen.
Dit jaar is er echter een tegenhanger van de term "plofkip" opgekomen, namelijk "bofkip". Een prachtige tegenactie van de boeren. Wat mij betreft mag "bofkip" het woord van het jaar 2013 worden. Waarbij ik dan wel opmerk dat een bofkip geen mestkuiken is, maar een echte kip die vrij kan rondlopen over het boerenerf.

In het tijdschrift Onze Taal, één van de media die aan woord-van-het-jaarverkiezing doen, mogen aan het eind van het jaar enkele bekende taalgebruikers onder meer aangeven wat wat hen betreft de belangrijkste publicatie, wie de beste taalgebruiker en wat het mooiste en wat het lelijkste woord van het afgelopen jaar was.
Nu, het wat mij betreft ergste woord van 2013 (en trouwens al eerder) is "spotten" in de betekenis "waarnemen". Volgens de leek ­– 95% van Nederland – gaat de natuurliefhebber niet meer vogels kijken of planten zoeken, maar 'spotten'. Bespottelijk. "Reptielen spotten met Staatsbosbeheer". Zoiets.
En in het kielzog van "spotten" volgt een schier onuitputtelijke lijst 'Dunglishe' misbaksels, uitsluitend geschikt voor de dunghill: connecten, saven, settelen, claimen, keepen, feuden, faden, faken, bloggen, upgraden, faceliften, driven, payen, losen, destroyen, deterioraten…

Een goede tweede plaats verdient “Oo, kee.” Pardon? Ik heet Evert, geen Kee. Het is maar dat u het weet.

maandag 16 december 2013

Geloof, hoop en liefde

Geloof, hoop en liefde - de bekende trits van veelgeroemde christelijke deugden. Het zal niemand verbazen dat ze uit de Bijbel komen; "geloof, hoop en liefde" staat zelfs letterlijk zo in de Bijbel, om precies te zijn in de eerste brief van Sja'oel aan de gemeente van Korinthe. De apostel voegt daaraan toe dat de meeste van deze drie de liefde is, omdat de eerste twee slechts tijdelijk meegaan en de laatste eeuwig.

Nu ben ik niet de persoon om veelgeroemde zaken nog eens te gaan ophemelen; van mij verwacht je veeleer het tegendeel, en ik zal je ook deze keer niet teleurstellen.
Overigens ben ik er niet opuit geloof, hoop en liefde de grond in te boren – dat zij verre. Ze zijn wel degelijk uiterst waardevol.
Luister eens naar het lied Jenseits von Eden van Nino de Angelo (waaruit ik al eerder eens een paar regels aanhaalde).

(…)
Wenn man für Liebe bezahlen muß, nur
um einmal zärtlich zu sein,
dann haben wir umsonst gelebt.

Wenn unser Glaube nicht mehr siegen kann,
dann sind wir Jenseits von Eden.
Wenn jede Hoffnung nur ein Horizont ist
den man niemals erreicht,
dann haben wir umsonst gelebt.

Jenseits von Eden... dat verwijst naar het land Nod (= verbanning) waarheen Qajin (Kaïn) vertrok nadat hij zijn broer had doodgeslagen (met een knots, zei een dominee eens). In het land Eden (= lieflijk?) lag het paradijs. Nod lag ten oosten van Eden – denk aan het boek van John Steinbeck – en werd nadat Qajin er een stad had gesticht volgens Genesis 4 en 6 bewoond door goddeloze, slechte mensen die uiteindelijk de Zondvloed over zich afriepen.
Welnu, wanneer het geloof niet langer bergen verzet, de hoop een onbereikbare horizon is en voor liefde moet worden betaald, dan zijn we niet veel beter af dan wanneer we leefden in Nod en is ons leven tevergeefs.

Echter, zoals uit het voorgaande al bleek, er is ook een andere kant. Geloof, hoop en liefde kunnen – ieder voor zich of gezamenlijk – iemand volmaakt gelukkig maken, maar ze kunnen ook diep ongelukkig maken.
† Het geloof is weliswaar noodzakelijk voor het hiernamaals, maar in het 'hiernumaals' kan het iemand even goed gelukkig als ongelukkig maken. Niet ieder karakter past even goed bij het geloof en de omstandigheden (lees: vijandige mensen) kunnen het leven voor een gelovige tot een hel maken.
* Hoop biedt houvast als het, zoals de christelijke hoop, een zekerheid is, maar zodra er maar een spoortje onzekerheid bij komt kan de weegschaal met evenveel gemak uitslaan naar het ongeluk. Zoals iemand eens opmerkte: "Het ergste wat je iemand kunt aandoen is hem hoop geven."
 En over liefde hoef ik eigenlijk niet eens uit te weiden. Bijna iedereen weet hoeveel treurnis en narigheid onbeantwoorde of verloren liefde teweegbrengt. En daarnaast, hoeveel oorlogen zijn er niet gevoerd om een liefde?

Bijna alle goede dingen hebben een keerzijde.