maandag 15 september 2014

Voor de tv, achter de pc?

Het schijnt, en de taaladviesdienst van Onze Taal bevestigt het zelfs, dat je voor het ene beeldscherm zit en achter het andere. De redenering: "Achter" gebruik je bij actieve bezigheden, "voor" bij passieve – of nee, de gebruikte formulering is eigenlijk "past het beste bij", wat al aangeeft dat het onderscheid niet erg helder is. Waarom is namelijk iemand actiever achter de boeken dan voor de spiegel? Het is nogal betrekkelijk. En bovendien onduidelijk, want "voor" en "achter" moeten om de stelling te onderbouwen een afgezwakte betekenis krijgen die anders is dan in zinnen als "Er ligt veel stof achter het beeldscherm". "Voor" zou dan niet veel meer betekenen dan "met het gezicht gekeerd naar"; goed, en wat betekent "achter" dan?

Wie heeft er baat bij onheldere taal? Geen mens, me dunkt. Daarom is mijn stelling klip en klaar: "voor" en "achter" duiden in combinatie met een voorwerp een positie aan. Die positie kan afhangen van het voorwerp, namelijk als dat ding een voor- en een achterkant heeft. Dat is het geval bij typemachines, computers, televisies, piano's, orgels, spiegels, auto's, aanrechten enzovoort.
Dus opnieuw heel eenvoudig:
  1. Je zit of sta voor het ding als je tegen zijn voorkant aankijk: voor de pc, de radio, het spinet, het aanrecht, de spiegel, de kast.
  2. Je zit of sta erachter als je neus in dezelfde richting wijst als die van het voorwerp: achter het stuur (omdat het gaat om de auto als geheel, niet om het stuur als los ding), de videocamera.
De directeur zit (voor jouw waarneming) achter zijn bureau als jij ervoor staat, maar zelf zit je voor je bureau (anders krijg je de laden niet best open). Ik kan voor de kast staan terwijl ik er met mijn rug naartoe sta. Je kun ook achter de computer zitten, maar dan ben je er iets aan het (schoon)maken of jezelf aan het verstoppen; op dezelfde wijze als dat een foto achter een schilderij aan de muur is gegleden, maar je er zelf voor sta, al dan niet druk bezig.
  1. Als het voorwerp helemaal geen voor- en achterkant heeft hangt de keuze voor het te gebruiken voorzetsel uitsluitend af van de positie van de beschouwer (voor of achter een steen); of is het meer gevoelsmatig ("achter de tralies": buiten, 'voor de tralies', is het echte leven), maar dat zijn uitzonderingen.
Willen we nog dat buitenlanders Nederlands leren? Dan moeten we onze taal niet ingewikkelder maken dan ze al is.


maandag 8 september 2014

Milieubescherming ten koste van alles

Milieubescherming is goed en belangrijk, het is in zekere zin zelfs onze plicht; dat vooropgesteld. Maar soms slaan de goede bedoelingen door, zodat er meer kapotgemaakt wordt dan beschermd.

Het schrijnendste voorbeeld van corrupt twee-matenbeleid op milieugebied is wel de invoering van spaarlampen. Het rendement van gloeilampen is beperkt – energieverspilling dus. Na jarenlange ontwikkeling kwam daarvoor een rendabel alternatief op de markt: de spaarlamp. Inmiddels hadden spaarlampenfabrikanten zoveel politieke invloed verworven dat de kritiek op de spaarlamp vanwege de milieuschade bij productie en ontmanteling in de doofpot werd gestopt. In diezelfde tijd werd een einde gemaakt aan het eeuwenoude ambacht van barometermaker. Oude thermometers en barometers bevatten namelijk kwik, dat giftige dampen verspreidt. De bewuste ambachtslieden werden zodoende blootgesteld aan volgens de nieuwe milieunormen ontoelaatbare hoeveelheden kwikdamp. En zo verdween een mooi vak. Dat de spaarlampen veel meer kwik bevatten, daar hoorde je de misleide politici niet over.
Een ander oud ambacht moest al eerder het veld ruimen onder druk van milieubeleid. Eeuwenlang waren er in Nederland – vooral op de Veluwe, maar ook elders – kolenbranders geweest, die middels een nauwluisterend proces takhout omzetten in houtskool. Tot in de jaren 1960 gebeurde dat in meilers in het bos; de laatste branderij, firma Beekman uit Uddel, gaf uiteindelijk deze nostalgische koolbereidingswijze op en zette het bedrijf nog voort met moderne ovens tot eind jaren '90; toen viel het doek definitief voor het houtskoolbranden in Nederland. De reden? Vermeende milieuschade door de rook.

Duurzame energie is een goed iets. Maar om die naam waard te zijn moet het wel écht duurzaam zijn; een windturbine is dat uiteindelijk niet. En milieuvriendelijk; elektrische energie is dat niet.
En natuurvriendelijk. Op IJsland is een stuwmeer aangelegd dat in een groot deel van de energiebehoefte van het eiland moet voorzien. Maar tegen een hoge prijs: een derde deel van de IJslandse natuur verdween onder water. Dat verlies is onloochenbaar; over de milieuwinst van schone energie kunnen klimaatdeskundigen het nog altijd niet eens worden.
Biodiesel wordt bereid uit plantaardige olieën. De meest lonende leverancier daarvan in onze streken is koolzaad. Om de in Duitsland verplichte 10% bijmenging in gewone dieselolie te leveren worden vele hectaren landbouwgrond onttrokken aan de voedselproductie. Gelukkig komt daar nu weerstand tegen en wordt gezocht naar andere oliebronnen, maar het zal nog wel even duren voordat de fout is hersteld.
Biogas wordt verkregen door vergisting van plantaardig materiaal. Om een vergistingsinstallatie te laten draaien is ook toevoer van energie vereist. Zo kan het gebeuren dat je een batterij trekkers zie ronken om een hoeveelheid gas te winnen die niet opweegt tegen de verstookte diesel. Afvalgroen als bermgras bevat namelijk te weinig energie om het proces lonend te maken; de installaties draaien zodoende op subsidie. Om een hoger rendement te halen moet een energierijkere grondstof worden aangewend; bijvoorbeeld maïs – je raad het al, dat kost wederom landbouwgrond.

De les: blijf kritisch tegenover milieumaatregelen. Soms voegen ze echt iets waardevols toe, maar soms gaan ze ten koste van oude ambachten, natuur of voedselproductie, tegen een twijfelachtige opbrengst. Belangrijk is zelf op een verantwoorde wijze bij te dragen aan het behoud van de natuur; bijvoorbeeld door te voorkomen dat de plasticsoep in zee, die aan talloze zeedieren het leven kost, zich niet uitbreidt; dus door plastic afval gescheiden in te leveren in plaats van achteloos van je af te gooien, en je uit te spreken voor het behoud van statiegeld. Zomaar een paar voorbeelden.

maandag 1 september 2014

Politiek correct

Vandaag is het alweer de honderdste keer dat ik hier mijn mening geef. Tijd voor een feestje… maak ik niet, maar een toepasselijk onderwerp lijkt me toch… nou ja, gepast.

In "Woorden die niet mogen verdwijnen" kwam een categorie van woorden aan de orde die bezig zijn in onbruik te raken doordat ze worden beschouwd als politiek incorrect. Hoog tijd om dit aan de kaak te stellen.
Let wel: ik ben niet tegen het verschijnsel politieke correctheid als zodanig. Kwetsen en beledigen van minderheden is verwerpelijk. In de werkelijkheid keert het gebruik zich echter vaak tegen zichzelf: door een op zichzelf neutrale term als politiek incorrect te beschouwen beledig je juist de betreffende groep en openbaar je jezelf als discrimineel, als rassist.

Het Verdwijnwoordenboek noemt twee van deze gevallen: "ouden van dagen" en "negerjongen". Mijn stelling is duidelijk: door "oude van dagen" als politiek incorrecte term te beschouwen geef je aan iets tegen ouderen te hebben, al is het onbewust. "Oude van dagen" is namelijk niet ontworpen als scheldwoord, maar dat is er (misschien) van gemaakt door mensen die een oud iemand minder waarderen dan een jonger.
Hetzelfde geldt voor "neger", met alle benodigde samenstellingen: "negerin", "negerbediende", "negervrouw", "negerbevolking", "negerdans". Er is niets mis met negers, én er is niets mis met de benaming "negers". Waar wél wat mis mee is, dat is de zeer ten onrechte als politiek correct beschouwde vervangende term "zwarte". Zwart, dat is de kleur van de dood en van zware rouw, van duivelse praktijken en somberheid. Het is werkelijk een schande dat we negers daarmee durven associëren. En dat om hun donkerbruine (!) huid; zwart haar hebben immers ook Fransen en Italianen.

Wie mijn berichten volgt herkent dit van begin vorig jaar (mijn 22e stukje). Het geschrevene over Hottentotten, zigeuners en indianen hoef ik dus niet te herhalen. Aan dat lijstje kunnen er nog verscheidene worden toegevoegd: Turk, jood, homo, boer, allochtoon, uitkeringstrekker… het is eindeloos. Kijk, als je iemand "homo" noemt die het niet is, met het doel om hem te beledigen, dan is dat duidelijk gebrek aan beschaving. Maar om dan het hele woord maar in het lijstje verboden woorden te zetten is bespottelijk. Moeten we alle boeren dan maar "agrariër" noemen en moeten boeren die per ongeluk met "boer" worden aangesproken zich beledigd voelen? Overigens ervaar ik persoonlijk "ICT'er", "manager" of "gentechnoloog" eerder als een belediging. Misschien moeten we zulke woorden (of beroepen?) maar als eerste schrappen…


maandag 25 augustus 2014

Boko Haram, IS en nietsontziende terreur

Onlangs heeft de Nigeriaanse terreurorganisatie Boko Haram opnieuw kinderen ontvoerd. De schurken schuwen geen middel om hun doel te bereiken: een islamitische staat vestigen. Inmiddels lijkt Boko Haram zich te laten inspireren door de tot voor kort als ISIS bekende Syrische rebellengroep die hetzelfde doel zelfs als naam voert. Die laat het niet bij platbranden van sjiitische moskeeën en het afslachten van sjiitische, alevitische en vrijzinnige medemoslims, maar heeft ook geen moeite met verkrachtingen, iets wat ik niet kan rijmen met een "heilige oorlog".
Nu kun je je misschien voorstellen dat mensen zozeer overtuigd zijn van het gelijk van hun godsdienst dat ze er oorlog voor over hebben, opdat als het doel is bereikt heel de wereld in vrede zal kunnen leven en de gunst van God verwerven; zo bezien zou het zelfs een liefdadigheidswerk zijn op de lange termijn; en daarnaast, wie zijn wij om de Arabische ziel te doorgronden? Maar een god die de barbaarse middelen kan waarderen die zijn volgelingen tewerkstellen om zijn rijk uit te breiden zoals Boko Haram, IS en soortgelijke organisaties doen zal ik nooit kunnen aanbidden. Vele mohammedanen kunnen mij dat nazeggen; doch het is de vraag hoe houdbaar hun stelling is vanuit de Qoran bezien. Dat is echter een ingewikkelde discussie die ik nu niet aanga.
Het gaat me om iets anders.

Niet alleen in Nigeria, maar bijvoorbeeld ook op de Filippijnen (Mindanao) en eerder in Indonesië vallen gewelddadige moslims christelijke dorpen aan. Het doel is bekend. En hoe reageren de christenen? Door zoals Jezus hen leerde "degene die hen op de wang slaat de andere wang toe te keren"; concreet: vluchten en zodra het mogelijk is terug te keren, maar hoe dan ook lijdzaam te zijn en niet terug te vechten. Buitengewoon dapper, en (opnieuw:) wie zijn wij om van afstand te zeggen wat de vervolgden daar moeten doen? En toch ben ik ervan overtuigd dat het beter zou zijn als ze zich verdedigden. Niet zoals de christenen in Congo en de Centraal-Afrikaanse Republiek die hun aanvallers met gelijke munt terugbetalen en zelf dorpen gaan uitmoorden; maar een muur vormen om de oprukkende islamitische vloedgolf te keren.
Zouden er nog Waldenzen zijn geweest zonder Gianavel, de heldhaftige boer uit Rorà die opstond om zijn lijdzame volk te beschermen toen het in 1655 met volledige uitroeiing werd bedreigd? En wat zou er geworden zijn van het protestantisme in de Nederlanden zonder de Opstand onder leiding van Willem de Zwijger, Maurits en Frederik Hendrik? Het is niet ondenkbaar dat het, evenals in het aan dezelfde koning Filips II toebehorende Spanje, volledig zou zijn uitgeroeid.
De moed van de bedreigde christenen die weigeren naar de wapens te grijpen is bewonderenswaardig, maar het ware te wensen dat ze in plaats daarvan zouden samenwerken met hun landsregering (in geval van een niet-islamitische staat) om het oprukkende islamisme te keren. Want naar mijn bescheiden mening is niemand gebaat bij een islamitisch Afrika.
Misschien is in Syrië en Irak vluchten de enige mogelijkheid, maar niet in Indonesië, de Filippijnen en Afrika. Hou jou lyn en staan jou man! Dis hier waar ons hul kan keer!


vrijdag 15 augustus 2014

Woorden die niet mogen verdwijnen (3, slot)

De 25 mooiste woorden, degene die écht niet mogen verdwijnen (of nodig weer uit het vergeetboek moeten worden gehaald), verdienen bijzondere aandacht. Tussen haakjes de categorie (zie deel 1 van deze reeks), het Rode-Lijstnummer en de verdwijningsoorzaak.

☼     Aterling (a-2-VA): iemand die we liever kwijt dan rijk zijn, en terecht
☼     Bakvis (b-2-?): hoe noem je een puber van het vrouwelijk geslacht? "meisje" is een genegenheidswoord dat steeds vaker minder geschikt is; hoog tijd een oude benaming in ere te herstellen
☼     Eunjer (a-1-S?): benaming voor allerlei wezens – spoken en boze geesten, maar ook tovenaars – die in het hedendaagse Westen naar het rijk der fabelen worden verwezen – vaak ten onrechte, zoals Schaduw van de werkelijkheid aantoont
☼     Feniksmaagd (a-0-?): een zeldzaam woord voor een zeldzaam verschijnsel dat in de laatste decennia wel uiterst zeldzaam is geworden, wat verklaart dat ik nog altijd vrijgezel ben
☼     Grafbruiloft (d-1-?): sommige uitvaarten hebben door hun overdadigheid meer weg van een bruiloft dan van een begrafenis
☼     Keerweer (d-1-?): tja, hier moet je omkeren, weinig keus. Steegje, blinde zijstraat of plattelandsweg, dat doet er niet toe. Gelukkig staat er een bordje bij
☼     Maagdenzwier (a-0-z): een woord dat onverwacht verdwenen is met het verschijnsel dat ermee werd aangeduid; want sinds de meisjes niet zo lang maagd meer zijn (herstel – ze zijn het nog wel, maar meisjes zijn er bijna niet meer) en ze vrijwel geen zwierige kleding meer dragen zijn ze ook hun sierlijke gang en houding kwijtgeraakt
☼     Middagmalen (c-2-VL): zonder twijfel te verkiezen boven zowel "het middagmaal gebruiken" als "lunchen"
☼     Minnekozen (a-1-F?): een lieve gewoonte uit vroeger tijd: het uitwisselen van liefdesbriefjes; maar minnekozen kan ongetwijfeld ook op tal van andere wijzen
☼     Onthokkebanden (a-0-?): een fraaie metafoor; pak het beeld: oogsttijd – het met de zicht gemaaide graan, gebonden in schoven, bijeengezet in hokken waaromheen weer een band zit zodat de schoven een paar dagen kunnen drogen; dan wordt de hokkenband losgemaakt en wordt de rijke oogst op de wagen geladen en naar de korenberg gereden.
☼     Ontuig (b-2-?): zo'n heerlijk breed scheldwoord voor alles wat niet deugt
☼     Paardengeld (e-2-F): één van de goede dingen uit het verleden die weer in ere zouden moeten worden hersteld, zoals ik eerder betoogde
☼     Pantoffelregiment (d-1-?): schering en inslag in het moderne huishouden. De vrouw heeft de broek aan; en de man… ook eentje voor het gemak, maar zijn pantoffels spreken duidelijke taal
☼     Ravenkok (e-1-F): de man met wie Anders Breivik nodig moet kennismaken. Want voor een dermate arrogante massamoordenaar is de elektrische stoel werkelijk te goed
☼     Rinkelrooier (a-1-?): ooit iemand die 'rooide' (danste) op de maat van 'rinkels' (castagnetten), van daaruit meer algemeen voor "losbol"
☼     Schendekeuken (d-1-?): van sommige mensen zou je zeggen dat ze een lintworm hebben, maar aangezien die dieren vrijwel uitgestorven zijn blijft er weinig anders over dan de vaststelling dat de betreffende persoon de kok oneer aandoet
☼     Slampampen (b-2-?): de voornaamste bezigheid van slampampers, niksnutten
☼     Taalwoestheid (c-0-z): barbarismen maken een taal wanordelijk
☼     Vettewariër (a-1-F): een juweeltje van een woord voor een verdwenen ambacht. Jawel, ook vroeger had je specialisten, zoals handelaars in kaarsen en olie
☼     Volgzucht (c-1-VL/A): een algemeen verschijnsel waaraan ik eind 2012 al een bijdrage wijdde
☼     Voorspook (d-1-?): een zeldzaam, geheimzinnig verschijnsel – op de Veluwe "veurschiensel" genoemd – dat wij, verlichte, door de natuurwetenschap verblinde westerlingen, niet meer kunnen waarnemen, ons ten nadele
☼     Watjekouw (a-2-?): het woord is even krachtig als de opstopper zelf
☼     Wildzang (a-?-3): misschien wel het mooiste woord van allemaal. Oorspronkelijk "wildvang": jachtvogel (denk aan de valkenjacht) die pas als volwassen vogel afgericht wordt (en dus nooit helemaal zijn wilde aard kwijtraakt)
☼     Zenuwinrichting (c-2-VL): een instelling waar je in therapie kunt voor zenuwaandoeningen en wat dies meer zij
☼     Zwijnjak (a/g-1-z): nog een graadje erger dan een liederzak

maandag 4 augustus 2014

Woorden die niet mogen verdwijnen (2)

Je kun verschillende stadia van verdwijning onderscheiden waarin woorden zich bevinden. Net als in de natuur is zo een rode lijst samen te stellen van bedreigde woorden:
Rode lijst 4, Gevoelig
Nog vrij veel gebruikt, maar minder dan voorheen: diender, fuif (typisch studentenwoord), gier (neemt af met afname van het aantal boeren), jakkes!, kakmadam, noorderzon, rauzen, subiet
Rode lijst 3, Kwetsbaar
Duidelijk op zijn retour: flaneren, roemer ("bokaal"), rambam (tegenwoordig wens je iemand liever zonder omhaal een enge ziekte toe), spuitgast, vuurroer, wiedes, witkiel, zelfbinder (ouderwetse oogstmachine; ook "stropdas")
Rode lijst 2, Bedreigd
Vrijwel verdwenen uit de omgangstaal: aanminnig, balsturig, karonje ("helleveeg"), kleingerief, kwijtbrief ("kwitantie"), saletjonker ("modegek"), schoolvos, tokkelaar
Rode lijst 1, Ernstig bedreigd
Vrijwel alleen nog in woordenboeken en -lijsten: bijsterzinnig ("niet goed snik"), doeniet, galgenaas, kanariewijn ("maderawijn"), kinderbewaarplaats ("kleuterschool"), pekelhoer, ros ("slaag"), slenterkat ("tippelaarster")
Rode lijst 0, Verdwenen
Niet meer te vinden in hedendaagse teksten en woordenboeken: lieflokken, stoepjuffer, puikschilder (vindt-ie zelf), vrijling (nu we het sinds de afschaffing van de slavernij in ons deel van de wereld allemaal zijn hebben we kennelijk geen behoefte meer aan een woord ervoor); vele woorden zijn al eeuwen geleden verdwenen: droochscote, ruvel en stompaert ("sukkel"), larijcat ("leegloopster, babbelkous"), coelpap en halsbandt ("vrek"), ijdelspilleke (ijdeltuit"), herje, loddiginne en schoeke ("hoer"); sommige zijn pas in de twintigste eeuw opgekomen en weer in de vergetelheid geraakt: brombier ("bromfietsbenzine"), graskapper, huppelemigratie (als na tijdelijk ander werk te hebben gedaan in het nieuwe thuisland het oude beroep weer wordt opgepakt).

De oorzaak van verdwijning verschilt uiteraard per woord; ik onderscheid een twaalftal categorieën:
F – verdwenen met het fenomeen dat ermee werd aangeduid: vogelroer
S – verandering samenleving: hokken
P – politiek incorrect: ouden van dagen
VL – vervangen door leenwoord: zielsontleding
VN – vervangen door Nederlands woord: fieltenstreek
VA – vervangen door ander Nederlands woord: warmoezenier
VAL – vervangen door ander leenwoord: adamant
VV – vervangen door verbastering: saffiaantje
VU – vervangen door uitdrukking(en): schandegeld
? – reden onduidelijk: beuzelkraam
z – zelden aangetroffen: tropenzenuwen
T – teruggekeerd: zoengeld

De laatste tijd komt het verschijnsel van verdwijnende woorden weer in de belangstelling. Terecht, want het Nederlands is een rijke taal en we zouden graag willen dat dat zo blijft. Vorig jaar verscheen het nieuwste Verdwijnwoordenboek, samengesteld door woordenboekmaker Ton den Boon. Het bevat "duizend en enige" trefwoorden, slechts een greep uit het arsenaal van bedreigde en verdwenen woorden. Rode lijst 1 is het best vertegenwoordigd, op de voet gevolgd door 2. Rode lijst 4, 3 en 0 zijn in dit boek beduidend zeldzamer. Minder ernstig bedreigde woorden (RL 3, 4) zijn bijvoorbeeld meer te vinden in Dat zeg je niet [meer], een miniboekje van Joop Niezen.
Vele van de vetgedrukte begrippen van deze en vorige week en alle 25 uitblinkers van volgende week zijn ontleend aan het Verdwijnwoordenboek.


(i.v.m. vakantie zal het hoogtepunt van deze reeks een paar dagen later verschijnen)


maandag 28 juli 2014

Woorden die niet mogen verdwijnen (1)

Taal lijkt op de natuur. Niet toevallig dus dat beide mijn belangstelling hebben; men zegt immers dat taal leeft. Leven betekent verandering. Nieuwe woorden verschijnen, oude verdwijnen. De Japanse duizendknoop verschijnt, de Roggelelie verdwijnt. "Allumeuse" verdwijnt, "cockteaser" komt ervoor in de plaats. Ziehier taalverloedering.
Maar eerlijk is eerlijk: niet alle verandering is een verslechtering; zie Taal verandert. Dat geldt voor taal en voor de natuur. Maar toch blijft het onwijs jammer dat de Roggelelie, de enige inheemse bloem met de nationale kleur, waarschijnlijk niet meer in het wild in Nederland voorkomt; er zijn wel Oranje havikskruid en Oranje springzaad voor in de plaats gekomen, maar die halen het in schoonheid niet bij de lelie en maken bovendien geen deel uit van onze geschiedenis, van de Nederlandse identiteit zou je kunnen zeggen.

Er zijn woorden die gerust mogen verdwijnen, omdat ze tekortschieten of omdat ze worden vervangen door een mooier dan wel Nederlandser woord. "Eerlang" is zo'n geval, een woord dat niet lang heeft bestaan en wellicht verdwijnt vanwege de verwarrende vorm, want wie begrijpt nu dat het eigenlijk "binnenkort" betekent? Verder kun je onder meer denken aan Engelse sporttermen waarvoor een Nederlands woord is bedacht. Meer voorbeelden zal ik er hier niet noemen, want dat zou hun verdwijning onnodig vertragen.

Dan zijn er zijn woorden die op zich geen meerwaarde hebben, maar toch beter konden blijven omdat het verdwijnen van woorden taalverarming betekent – hoe vaak heb je niet een synoniem nodig omdat je hetzelfde woord niet steeds wilt gebruiken of omdat je toch net een andere gevoelswaarde zocht? –, zoals het uitsterven van planten en dieren de natuur verarmt. Denk aan "verzenen" (klemtoon op de eerste lettergreep), "krijten" (dat tegenwoordig alles "huilen" heet is nogal armoedig), "coquette" (ja, het is Frans, en ja, misschien zou ze niet moeten bestaan, maar ze bestaat en we hebben er geen beter woord voor) en "dewijl" (het wordt wellicht tijd dat we ons inzetten voor het behoud van de schrijftaal).

En ten slotte zijn er woorden wier dreigende verdwijning uitgesproken spijtig is –
a.      woorden die met hun schoonheid onze Nederlandse taal sieren: aaipoes, bruggentrekken ("lanterfanten"), achterkousigheid, besjoechelen, letterbaas ("geleerd man"), marren ("talmen"), pleegzuster, pochhans, prij ("helleveeg"), ramaaien, rosbeier;
b.     woorden die een bepaalde betekenisnuance bieden: landslied ("volkslied" heeft ook een andere betekenis), spierkrachtig; of juist een aantal begrippen samenvatten: letterfout (spelling, interpunctie, grammatica en/ of zetwerk)
c.      begrippen waarvoor we gewoonlijk een leenwoord gebruiken, maar waarvoor desondanks een Nederlands woord bestaat of bestond: aanblazing, algezicht ("panorama"), eigenbatig, evenmaat ("harmonie"), kerfdiertje ("insect"), lantaarnplaatje ("dia"), neetoor ("chagrijnig iemand"), tikjuffrouw,varensgast
d.     begrippen waarvoor we eigenlijk geen enkelwoordige vervanging hebben, die dus een gat achterlaten in de taal als ze verdwijnen: befranjen, bordeeltaal, broodrat ("iemand die leeft op andermans kosten"), engelin, kleinhans, nachtkroeger, peinzensmoe, redeziften, reeuws ("een lijklucht hebbend"), snedeling ("middels keizersnee geborene"), voos (voorstadium van rot), winterbrand, zwaarhoofd;
e.      benamingen voor een verdwenen gebruik dat we niet mogen vergeten: bellenmeisje (jonge dienstbode die moest opendoen voor bezoekers), eendenroer, hondenslager (beambte in de kerk die loslopende honden moest vangen of doodslaan), knijpkat, lampetkan, slöjd, touwslager, zevendubbeltjesring, ziekenzand (ter demping van hoefgetrappel en kargeratel);
f.       benamingen voor een ander(e) volk of groep, sommige beschouwd als 'politiek incorrect' (waarover binnenkort): muzelman, mohammedaan, moriaan, neger (wat is anders het tegengestelde van een jager?), zigeuner;
g.      Indische woorden, die ons herinneren aan een belangrijk stuk geschiedenis: baboe, desa, doekoen ("medicijnman"), goenagoena ("tovermiddelen"), nonnie ("zusje"), senang ("behaaglijk, tevreden, gelukkig");
h.      Bargoens, veelal aan het Jiddsch ontleende dieventaal: juut, kalletje ("meisje, snol"), nor, majem ("water"), rojem! ("kijk uit!"), vernachelen ("in de maling nemen; vernielen"), zwijntjesjager ("fietsendief");
i.       literaire woorden: aandonzen, achternoeneboer ("luie boer die achterloopt met zijn werk"), hemelvlam ("zon"), opzwalpen, pekelschuim, toeven, wadem, zangberg.


(volgende week de ´Rode Lijsten´ en iets over de oorzaken en over twee weken de 25 bijzonderste verdwijnwoorden)

dinsdag 22 juli 2014

Pas op voor calorieën

Caloriën zijn die dingen waar je dik van word. Vergelijk het met bacteriën, dat zijn die beestjes waar je ziek van word. Alleen zijn calorieën geen beestjes maar dingetjes. Niemand kan het je precies vertellen hoe ze eruit zien, maar stel ze maar voor als kleine vet bolletjes.
Het gaat allemaal om de vorm en dik worden wil je natuurlijk niet, dus pas op. Zorg dat je geen calorieën binnenkrijgt.

Tja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan want in bijna alle voedings middelen zitten calorieën; soms veel, soms weinig, maar altijd wel wat. Alleen water, daar zitten ze niet in. Dus kun je misschien maar beter alleen maar water eten – eh, drinken. Dan word je tenminste niet dik. Behalve als je er te veel van drinkt.
Gelukkig staat op bijna alle levensmiddelen verpakkingen hoeveel calorieën er in zitten. Als je dan een beetje op let kun je tellen hoeveel calorieën je per dag op eet. Kun je er over dromen.
Maar ja, dan word je nog steeds dik. Dus maar weer aan het water. Alleen kan ik me voorstellen dat je dat ook een keer zat word. Wat je dan kunt doen is magere yoghurt eten, en light frisdrank drinken. Daar zitten echt maar een paar van die levensgevaarlijke calorieën in, dus daar lig je niet wakker van.
(Nooit geloven als ze zeggen dat het eigenlijk om kilo calorieën gaat, want dan zouden het er nog eens duizend keer zoveel zijn. Nee zeg, stel je voor! Een stuk of tien per dag gaat nog wel, maar tienduizend! Daar zou je echt wakker van liggen.)

maandag 14 juli 2014

't Plattelaand v'rzoakelijkt

'n Waarme zoemeraovend. D'r is een dik zwad gres 'egreuid en 't het best 'edreugd de leste daogen. 't Gres is 'emeid, 'eschud en 'ezweêld en noe kan 't binnen'ehaold wörre. Groôte trekkers mit opraopwaoge riejen 't laand op en meter veur meter wörre de zwaoien op'elaaie. As 'n opraopwaoge vol is gaat 'ie n'r de boerderie, waaorof 'ie 'elost wördt op de kuul. Daor staot de shovel al klaor um 't an te rieje.
Mooie tied, die hooitied. Alleên… wat is vandaog de dag nog hooitied? Vier, vijf zes sneeje in een jaor van 't laand, mit 'n dag of drie klaor… zoveel biezonders is d'r dan niet meer an. Dat was vrogger wel aanderst.
Tegen juni kwam 't gres in bleui en dan, zo gauw as 't weer vast was, ha'je hooitied; drie week lang. Meie mit de zeis, umgooie, laoter nog es, een paor daog later weer en as dan goed dreug was op 't zwad en op 't lest op mieten. Alles mit de houte hooihark, mit 't heêle huushouwe en een stuk of wat buren. Beulswaark. Mer as 't dan eindelijk in'ehaold kon wörre, dan was 't feest. Mit peerd en waogen 't laand op, de manne 't hooi opsteke mit de gaovel en twee deres op de waoge um te laoie. En dan op huus an – uutkieke da'je de vracht recht hielen, en dan losse in de baarg. Eindelijk de leste vracht – krek veurdat 't begong te regene.

't Leven op 't plattelaand was hard; mer ok romantisch, zoa-ve dat tegewoordig zegge. Alles is noe veul makkelijker, en eêntoôniger 'ewörren.
Kiek n'r de taol. 't Barrevelds (T'rschuur, 't Zwartebroek, die kaant uut) dat ik hier schrieven is aanderst as 't Lunters. En kwam je in Niekaark, of in 't Veên, of in de Betuwe, daor praotte de minse weer heel aanderst. Mer noe – 't is allemaol allees, waar of je ok vandaon kommen. Weinig aorigheid an.
Kiek n'r de netuur. Vrogger was 't een geaarmoei mit die vliegen – daor lééfden 't van. Mer dat betekende ok dat de zwaolve je um de ore vlogen. Op 't laand volop kieften en grieten, zelfs snippen en petriezen. Woar bin die 'ebleven? En de leeuweriken vanzelf. Wat gek, d'r is-t-er op de meeste steeë gieneêntje meer over. Overal in de wallen voegelnesjes: tuuekruupertsjes, spreeuwe, musse, gresmusse, spotvoegels, bieëvretertsjes, grauwe liesters, zangliesters... Noe mag je blie weze as je d'r een keer eêntje vienen. En vlinders? 't Schient dat 'r tachentig jaor 'eleeje vijftig, zestig keer zoveul (!) vlogen as tegewoordig. Ja, wat wul je? Bloemen bleuien d'r zwat nie meer. Mit een bietje geluk een paor in de sloôtkaanten, mer in laand zwat niks meer. Niks as reigres, zeker as de koên nie meer buute komme. Ok zoiets.
Kiek ok n'r de minse. Vrogger ha'je op 't plattelaand niks as boere. Noe komme d'r een kwak riekeluu die een kast van een huus zette laote, mer in de stad waarke. Een stuk tuin um 't huus heen, mer 't het gien enkele geveulsweerde. An de aandere kaant de boere; de meeste bin uut'escheie, en die nog over bin, die boere niet op een plaots mit een boerderie, mer op een 'boerenbedrijf'. In stee van alle week n'r de eiermark en een paor keer in 't jaor n'r de veemark te motte (magge) gaon komt 'r noe zwat alle dag wel een groôte auto een vracht eier, varkes of net wa'je hên ophaole. Je mot as boer zaokelijk in'esteld wezen um 't nog vol te houwe. Dat zie je ok an de kleer: de streekdrachte van vrogger warre niks hee bar makkelijk mit 't waark, mer ze ha'n wat. Noe is 't niks as spiekerbroeke; keêls of deres, dat schient niks uut te maoke.

De geluksvoegels zoas ik die nog groôtouwers hên die 't boereleve van vrogger mee'emaokt hên, kunne d'r wel 's weemoedig van wörre, een geveul van heimwee (klinkt niet aarg Veêluws; meschiejn bestaot 'r wel gien woord veur). 't Was vrogger zwaor tobbe, mer de 'genoegens', 't 'plezier' van tegewoordig liekt nogal leeg v'rgeleke mit 't zinvolle leven toe 't overleve nog een stried was. En 't v'rdwienen van 't geleuf maokt 't leven d'r ok niet zinvoller op.
Van 't harde waarke kreeg je pien in de rug, de aarms, de beêne. Noe he'je eer last van pien in 't heufd. Mer dan krieg je gewoôn 'n asprien en 't is weer vurt. Vrogger waarkte je to'je nie meer konnen; noe mag je mit vijfenzestig jaor mit pensioen. Dan kun je 'n elektrische fiets kope en fietstochjes maoke, zoas de meeste (soaie luu) doen. Mer ze fietse deur een v'raarmd en v'rzaokelijkt plattelaand.


maandag 7 juli 2014

Wat is er zo lelijk aan windturbines?

Vraag een willekeurige Nederlander om zijn mening over windturbines – meestal ten onrechte "windmolens" genoemd – en je heb grote kans dat het antwoord het volgende is: heel nuttig (want duurzaam), maar ik zou ze niet in mijn uitzicht willen hebben. In dit geval geen luchtvervuiling, maar horizonvervuiling.
Niet verrassend: mijn mening is in beide opzichten min of meer het tegengestelde. Ten eerste is het nog maar de vraag hoe milieuvriendelijk de moderne windmolens zijn. Bouw en (na zo'n dertig jaar) afbraak kosten nogal wat energie, en bovendien vliegen er nogal wat trekvogels zich dood tegen de wieken. Over de vraag naar de kosten zijn de meningen verdeeld; het hangt ervan af wat je meereken of windturbine-energie duurder is dan die uit een elektriciteitscentrale. Maar waarschijnlijk is windenergie duurder. En schoner waarschijnlijk eveneens, maar ook dat is nog enigszins twijfelachtig. Kortom: het idee is goed, maar of het echt helpt is de vraag.
Ten tweede vind ik persoonlijk deze indrukwekkende molens niet lelijk. Ga maar eens onder zo'n draaiend gevaarte staan; je raak ervan onder de indruk. Als de voet van de paal dan ook nog in vervagende groene banden is geschilderd en er een rij van deze turbines langs een zeedijk staat kan ik ze allerminst ontsierend noemen. Ze passen volledig bij het Hollandse polderlandschap, het vlakke Nederlandse kustland dat zo sterk het stempel draagt van onze waterbeheersingsgeschiedenis. Daarin zijn de windturbines een symbool van de Nederlandse haat-liefdeverhouding met de elementen: bescherm je tegen hun dreiging, maak gebruik van hun kracht.

Wat dat laatste betreft zou intussen binnenkort wel kunnen blijken dat de getijdenbeweging een betere krachtbron is dan de wind – meters verschil tussen hoog- en laagwater bevat een ongekende potentiële energie. Het wachten is op winstgevende ontwikkeling van initiatieven daartoe. Tot zolang kunnen we het beste genieten van de windturbines die we hebben, maar terughoudend zijn met het plaatsen van nieuwe.

dinsdag 1 juli 2014

Kerkgezang

Wie durft in de kerk uit de toon te vallen?

Het spijt me, onkerkelijke lezer, vandaag weer een stukje voor kerkgangers; een preek voor eigen parochie.
Je moet weten dat in onze Hervormde gemeente uitsluitend psalmen worden gezongen (de Enige Gezangen* niet te na gesproken). Mocht het bij jou of bij u in de kerk anders gaan, dan kun je voor psalmen je eigen liederen invullen.
Goed, de dominus geeft een psalmvers op: 96:1. Dat begint zo:
            Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere…
Onbewust denkt hij erbij:
            maar doet dat alstublieft niet hier.
Ik zing het vers echter met overtuiging mee, want van mij mag er best eens een nieuw gezang worden gezongen (voor de Heere, maar dat begrijpen de meesten niet en dus zingen ze "de" in plaats van "den"). De volgende zing ik echter niet mee:
            'k Ben jong geweest en draag nu grijze haren…
evenmin als een psalm verder, nummer 38:
            'k Voel mij van de smart doorsneden;
in mijn leden
is niets heel of vrij van pijn.
(en de rest van de psalm) want ik ben zo gezond als een vis in het water. Evenmin zal ik het een depressief iemand kwalijk nemen als hij zijn mond houdt bij
            Looft Hem met de trom en fluit,
            looft Hem op uw blijde snaren!

Wie veel liever een balletje trapt, tv kijkt, in de kroeg zit of gewoon aan het werk is kan beter niet meezingen bij een psalmvers als
            Ai, zie, o Heer, dat ik Uw wet bemin!
Wees eerlijk. Is het niet een béétje schijnheilig om zoiets te zingen wanneer je weinig met die wet heb?
Anderzijds, Nigeriaanse christenen wier kerkgebouw is afgebrand en wier kinderen op beestachtige wijze zijn vermoord mogen met het volste recht zingen
            Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen
            die u vergeldt al wat g´ons hebt misdaan.
            Gelukkig hij die u terneer zal slaan.
Dat heeft niet te maken met wraakzucht (als dat het motief is kun je beter zwijgen), maar met gerechtigheid.

Rechtvaardigheid… eerlijkheid, dat is mijn motivatie om niet iets mee te zingen wat ik niet meen. Goed, nu sta ik met deze mening (zoals gewoonlijk) misschien alleen, maar dat is geen argument voor onjuistheid. Integendeel, zou ik zeggen. Zonder eenlingen als Martin Luther en Jean Cauvin zouden wij nog onder de paus van Rome vallen. Hoe dan ook, ik ben te zeer een kind van Reformatie en Romantiek om het geloof te zien als iets louter gezamenlijks. Voor mij is geloof in de eerste plaats iets persoonlijks, pas dan collectief. De gemeentezang is de enige inbreng van gemeenteleden in de eredienst die in reformatorische kerken is overgebleven sinds het begin van het christendom. Klakkeloos alles meezingen ervaar ik als onoprecht.
Overigens is mijn standpunt in dezen misschien niet eens zo heel eenzaam, alleen hebben de meeste mensen er nooit over nagedacht of durven ze niet uit de toon te vallen. Stel de vraag maar eens op een jeugdvereniging; goede kans dat velen als het erop aankomt mijn mening blijken te delen.


* Ja, ze zijn enig… En het zijn de enige die (mogen) worden gezongen tijdens de dienst.


maandag 23 juni 2014

Zeg het met woorden

Niks "zeg het met bloemen" of soortgelijke prietpraat. Er is niets waarmee je zoveel kun zeggen als met woorden. Niet voor niets is de mens door zijn taal in staat tot veel uitgebreidere en verfijndere communicatie dan dieren.
"Een plaatje zegt meer dan duizend woorden" – ook zulke rimram. Een plaatje kost meer dan duizend woorden en zegt meestal nog niet de helft. Een tekst van 1000 woorden is als Word-bestand zo'n 25 kB groot; als Kladblokbestand slechts zo'n 6 kB. Alleen een zéér onbeduidend plaatje zou dat kunnen evenaren. Het is waar dat sommige plaatjes beschikken over zeggingskracht, maar slechts zelden kan die de zeggingskracht van een goed geschreven (stukje) tekst evenaren. Probeer deze zin (12 woorden) maar eens in een plaatje te vangen. Gaat je niet meevallen.
Je snap nu wel waarom De mening van Evert uitsluitend uit tekst bestaat.

In gesprekken spelen toon, gebaren en gezichtsuitdrukkingen naast woorden een niet onbelangrijke rol. Maar als ze niet vergezeld gaan van woorden schieten ze bijna altijd tekort om een ingewikkelde boodschap over te brengen, en ze zijn bovendien bedrieglijk; in romans wordt hun waarde zodoende sterk overdreven. Als illustratie een aanhaling uit Schaduw van de werkelijkheid.
Een roman? Asjeblieft niet. Dan moet je voortdurend op je hoede zijn voor de kleinste veranderingen in stemming, houding en gezichtsuitdrukking. Stel je voor dat een hoofdstuk als volgt begint –
,,Jij bent vrijgezel, hè, dus bij jou hoef ik niet om raad te komen over meisjes.”
,,Nou ja, ik weet uit ervaring hoe het is om meisje te zijn.”
,,O ja?” Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes. ,,Is dat lang geleden?”
Wat betekent die beweging van de oogspieren precies? Wordt het ook net zo opgevat als bedoeld? Hoe redt het 'slachtoffer' zich uit de situatie? Hangt ook van het karakter van de persoon af, natuurlijk. Goed, met een beetje slimmigheid is daar waarschijnlijk nog wat van te maken, maar je hoeft in een spannend gesprek maar even een kriebeltje in je ooghoek te hebben, of zoiets onbeduidends, of de dialoog dreigt een volslagen andere wending te krijgen. "Zeg het met woorden" is mijn stelregel.

Volgens sommigen is er zelfs geen denken mogelijk zonder woorden; dieren en zuigelingen denken dus niet. Met die opvatting ben ik het niet eens, want velen denken ook in beelden. Maar zonder woorden blijven gedachten toch oppervlakkig, dat lijkt me helder.

Intussen mag duidelijk zijn dat ik niets heb tegen plaatjes; denk bijvoorbeeld aan mijn pleidooi voor schoonheid in de kunst. Plaatjes kunnen gevoelens oproepen, dorre teksten verhelderen, het leven veraangenamen, maar niets is zo veelzeggend als taal, woorden. Daarom is mijn raad aan ieder verstandig mens: zeg het met taal – zeg het met woorden.


maandag 16 juni 2014

Taalclassificatie

Een nieuw taxonomisch systeem voor de taalkunde

Hoe komt het dat Nederlands, Duits en Deens zoveel op elkaar lijken? Doordat we gemeenschappelijke voorouders hebben, de Germanen. Hebreeuws en Arabisch lijken wel op elkaar, maar in niets op de Germaanse talen; die behoren tot een andere taalfamilie. Boeiende materie; wil je taal begrijpen, dan moet je je in de verwantschap van talen verdiepen.
De wetenschap die zich in deze kwestie heeft gespecialiseerd is de vergelijkende taalkunde. Deze heeft zo'n beetje alle talen van de wereld ondergebracht in een classificatiesysteem, waarin elke taal onderdeel uitmaakt van een groep en die weer van een grotere groep, tot uiteindelijk – afhankelijk van de taalkundige school – zo'n 50 hoofdgroepen overblijven. Eén daarvan, de nummer 1 met de meeste sprekers en de nummer 3 of 5 van de meeste talen, is het Indo-Europees, waartoe ook het Nederlands en bijna alle andere Europese en enige Aziatische talen behoren. Dit niveau wordt meestal de taalfamilie genoemd.

Er is echter één probleem. In de biologie is een vergelijkbaar stelsel opgezet, van verwante organismen, uitgesplitst volgens het logische principe domein – rijk – stam – klasse – orde – familie – geslacht – soort, waarbinnen nog verfijningen mogelijk zijn. Kijk nu echter naar de taalkunde. Neem een taal als het Zoeloe; dat behoort tot de familie van de Bantoetalen die zelf weer onderdeel is van de Niger-Congofamilie. Niet erg duidelijk. Bovendien bestaan er voor de tussenstappen geen eenduidige aanduidingen.
Dat is niet alleen in het Nederlands zo, maar bijvoorbeeld ook in het Engels. Het woord "phylum" wordt soms gebruikt voor een groep van taalfamilies (dus een verzameling min of meer verwante hoofdgroepen), soms als synoniem voor "taalfamilie" en soms als subgroep daarvan (zoals de Germaanse talen). Begrijpelijk dat er pogingen gewaagd zijn hierin enige orde aan te brengen. Zo maakte ene Syndney Lamb de volgende indeling (van groot naar klein): phylum – class – order – stock – family – genus – language – dialect. Rasmus Rask rangschikte de talen als volgt (van klein naar groot): dialect – language – branch – stock – class – race. Een goede poging, maar nog niet overtuigend. Bovendien heeft het Nederlands dringend behoefte aan een classificatiesysteem, al was het alleen maar om de informatie op Wikipedia te verhelderen.

Welnu, we kunnen de biologische taxonomie als uitgangspunt nemen; wat in de levenswetenschap een soort is, is in de taalkunde een taal, en een taalfamilie is te vergelijken met een stam in de biologie. "Stam" is tegelijk een zeer geschikt woord om een hoofdgroep mee aan te duiden, en omdat we niet tweemaal hetzelfde woord gebruiken moeten we "familie" verderop in het schema zetten. Mijn voorstel is als volgt:
domein – stam – superklasse – klasse – superorde – orde – suborde – superfamilie – familie – subfamilie – tak – sectie – groep – taal – streektaal – regiodialect – gebiedsdialect – dorpsvariant
Vetgedrukte woorden vormen de basis, cursieve woorden de tussenstappen die niet altijd nodig zijn.
Het zal even wennen zijn dat een taalfamilie voortaan "taalstam" heet, maar het wordt er vele malen duidelijker op.

Passen we het nu toe, dan krijgen we bijvoorbeeld de volgende analyses:
* (domein: Nostratisch)
           stam: Indo-Europees
                   (superklasse: Centum-talen)
                           klasse: Germaans
                                   orde: West-Germaans
                                           familie: Ingveoons
                                                   (tak: Anglo-Fries)
                                                           groep: Fries
                                                                  taal: Westlauwers Fries
                                                                          (streektaal: Woudfries)
                                                                                  (dialect: Gaasterlands)
* stam: Niger-Congo
           klasse: Atlantisch Congo
                   orde: Benue-Congo
                           (suborde: Bantoid-Cross)
                                   (superfamilie: Zuidelijk Bantoïde)
                                           familie: Bantoe
                                                   (subfamilie: Narrow Bantu)
                                                          (tak: Zuidelijk Bantoe)
                                                                  sectie: Nguni
                                                                          (groep: Zunda)
                                                                                  taal: Zoeloe
                                                                                          (dialect: Natals)

Zoals er in de biologie soorten zijn (bv. de Visarend) die een eigen familie vormen zijn er in de vergelijkende taalwetenschap talen die een eigen familie vormen; denk aan het Grieks. Er zijn zelfs talen die in hun eentje een eigen taalstam vormen; het Baskisch is zo'n geïsoleerde taal oftewel isolaat.

Men moet wel bedenken dat deze indeling gaat over levende talen; een historische taal als het Oud-Nederlands valt er daarom buiten. Zo komt ook het Afrikaans, dat voortgekomen is uit het Nederlands, op hetzelfde niveau te staan, dat van taal.


maandag 9 juni 2014

Het Kornalijnen Boekje

Spelling verandert voortdurend. Vanaf 1804 werden daar officiële regels voor uitgevaardigd, in 1954 voor de derde keer veranderd en meteen vastgelegd in het eerste Groene Boekje (eigenlijk: Woordenlijst Nederlandse Taal). In 2015 moet het Groene Boekje IV verschijnen. Daarin verandert niet veel ten opzichte van zijn voorganger, maar dat was bij II en III wel anders.
Neem de beruchte tussen-n-regels. Die werden in 1995 dusdanig onlogisch en riepen dermate veel weerstand op dat er tien jaar later twee nieuwe spellingsgidsen verschenen: het Groene Boekje III, waarin onder meer de tussen-n-regel werd bijgewerkt, en het Witte Boekje, een alternatieve spellingsgids die inmiddels ook als zodanig wordt erkend. Het Witte Boekje was ook een protest tegen alweer een spellingswijziging – het onderwijs kon het onderhand niet meer bijbenen, laat staan de gewone man.

Ik verwacht dat u van mij nu goede raad verlangt: welk van de twee moeten we volgen? Nu, wat je zeker van mij kunt verwachten is een tegendraadse opvatting, dus daar past het Witte boekje wel bij. Maar als het erop aankomt valt die tegen. Wat de tussen-n-regel betreft heeft het min of meer vastgehouden aan de onlogische regel uit 1995, terwijl een werkelijke verslechtering uit het Groene Boekje III wel werd overgenomen: het verdwijnen van het koppelteken uit drievoudig samengestelde zelfstandige naamwoorden. Zo behoorde je een gids voor wilde planten te schrijven als "wilde-plantengids" en een lid van de Tweede Kamer als "Tweede-Kamerlid". Nu is dat "wildeplantengids" respectievelijk "Tweede Kamerlid". Niet erg logisch.
Daarom wordt het hoog tijd voor een nieuwe spellingsgids, met logische regels die tenminste te leren zijn voor een buitenstaander. Gezien de kleuren die u omringen zou een oranje boekje misschien voor de hand liggen, maar dat zou niet erg oorspronkelijk zijn: er zijn al minstens drie verschillende Oranje Boekjes in omloop of in de maak. Daarom alvast het betere titelvoorstel voor de betere spellingsgids: het Kornalijnen Boekje. Kornalijn is de oude naam van Carneool, een prachtige oranje of rode variant van de edelsteen Chalcedon.

Aan welke regels moeten de woorden in het nog te schrijven Kornalijnen Boekje (dus niet "het Kornalijnenboekje") dan voldoen? Wel, kortweg: aan de officiële spellingsregels, maar met de volgende uitzonderingsbepalingen:

  1. samengestelde zelfstandige naamwoorden: met koppelteken, bijv. "lange-afstandsloper"; ook bijv. middelbare-scholier, ter-beschikkingstelling; samenstellingen met een hoofdletterwoord met kleine letter of koppelteken, bv. Bijbel – bijbelverhaal, Zoeloe – Zoeloe-vrouw 
  1. taalnamen en topografische namen: aanduidingen als "Vlaams Nederlands" en "Zeeuws Vlaanderen" zonder koppelteken (in tegenstelling tot bijv. "Oost-Pruisisch") 
  1. redengevend en oorzaakaanduidend voegwoord: de ten onrechte afgeschafte regel in ere herstellen: "omdat" bij reden, "doordat" bij oorzaak (bijv. "Het is licht in huis doordat de zon schijnt"; met "omdat" zou je suggereren dat je omdat de zon schijnt de lampen aangedaan heb, wat vreemd is) 
  1. het telwoord 1: altijd als "één", ter onderscheiding van het onbepaald lidwoord (in samenstellingen, zoals "opeen" geen accenttekens, want "een" kan niet in samenstellingen voorkomen) 
  1. stam+t bij tweede persoon enkelvoud: afschaffen de regel van "jij hebt" – "heb jij"; in beide gevallen zonder t is logischer 
  1. voornaamwoorden voor God: niet alleen persoonlijke, maar ook andere voornaamwoorden met hoofdletter (bijv. "De Eeuwige beloofde Zijn volk een land van melk en honing") 
  1. enkele bijzondere woorden: bijv. "rassisme" i.p.v. "racisme"

maandag 2 juni 2014

Psycho-analyse

of  De twaalf elementen van de menselijke geest


De menselijke geest is een zeer ingewikkeld verschijnsel, waarop de onderzoekende mens desondanks, of juist daarom, tracht vat te krijgen. Het is inzonderheid de psychologische wetenschap die zich hiermee bezighoudt. Deze wetenschap, die verscheidene vertakkingen telt, stelt zich tot hoofdtaak het menselijk gedrag te verklaren door algemeen geldende beginselen in de menselijke psyche (geest), de menselijke persoonlijkheid (karakter), te ontdekken.
Eén van de mogelijkheden hiertoe, in feite een psychoanalytische benadering, hoewel in deze vorm ook in die tak van wetenschap weinig toegepast, is verdeling in onderdelen. Een opzet.

Bewustzijn
Lichamelijk in-/uitschakelingsmechanisme van alle bewuste geesteswerkzaamonderdelen

1.     Persoonlijkheid
Bestaat uit twee gedeelten: 1. zelfbewustzijn; 2. karakter: a. samenhangend met instinct, omvat o.a. moed, ijver, luiheid, (on)afhankelijkheid, zelfbeheersing, idealisme, voorkeur; b. samenhangend met gevoel, omvat o.a. gezindheid/ welwillendheid, schaamte, ootmoed, eerzucht, achterdocht, jaloezie, (on)zekerheid, schuldgevoel (samenhangend met geweten)

2.     Gevoel
Eén van de belangrijke onderdelen van de geest; 1. innerlijk gevoel, omvat o.a. intuïtie, emotie, hartstocht, liefde, haat, angst, verdriet, medelijden, heimwee, weemoed, verlangen, depressie, verliefdheid, eenzaamheid, bezieling (bet. 2); 2. gevoeligheid, omvat o.a. spanning, mensenkennis en het "zesde zintuig": buitenzintuiglijke waarneming (samenhangend met ziel)

3.     Verstand
Tweede belangrijke geesteselement; gebruikt de hersenen, omvat denkvermogen, leervermogen, inzicht

4.     Geweten
In werking onafhankelijk, richtinggevend orgaan; deels aangeboren, deels gevormd

5.     Wil
Duidelijk onderscheidbaar onderdeel van de geest: het vermogen om keuzen te maken; uitvoerend orgaan, samenhangend met persoonlijkheid, beïnvloed door gevoel, verstand, geweten. Te onderscheiden in 1. theoretische wil (veelal werkend op lange termijn, samenhangend met verstand, geweten) en 2. praktische wil (veelal werkend op korte termijn, samenhangend met gevoel, waarneming (zintuiglijk))

6.     Sprekers
Uitvoerend denkvermogen (bewuste, onder woorden gebrachte gedachten), waarschijnlijk bestaand uit drie 'personen': (I). "prima" (m.n. gevoed door gevoel); (II). "reacta" (vnl. gevoed door gevoel); (III). "considérus" (m.n. gevoed door verstand)

7.     Instinct
Aangeboren 'gegevensbank', verantwoordelijk voor erfelijk bepaald gedrag, reacties, vaardigheden; ook karakter

8.     Ervaring
Of Herinnering. Geestelijk deel van het geheugen, samenhangend met gevoel; verwerking ofwel opslag van indrukken

9.     Associatievermogen
Door de hersenen werkende koppeling tussen zintuigen en geheugen

10.  Fantasie
Een gedeeltelijk onafhankelijke bron, in twee onderdelen bestaand: 1. ideeën en inspiratie ("bezieling" (bet. 1) in abstracte zin, "ingevingen" in 'concrete' zin), in nauwe samenwerking met gevoel, onderbewustzijn, verstand en herinnering, alsmede met de zintuigen (vgl. ook ziel); 2. voorstellingsvermogen (m.n. beeldend vermogen)

11.  Ziel
Geestorgaan waarmee contact kan onderhouden worden met het bovenzintuigelijke; in die zin kan de ziel een bron van inspiratie ('bezieling') zijn, zoals de fantasie, maar dan als tussenorgaan voor invloed van buitenaf

12.  Onderbewustzijn

Waarschijnlijk breed, zowel verstand-, gevoel-, persoonlijkheids- als geheugenkenmerken behelzend
_     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _     _

            Gemoed
Een enigszins vaag begrip, onder andere en met name in de betekenis van "tedere aandoeningen" (en dan synoniem met "hart"), voor de overzichtelijkheid liever onder te brengen onder gevoel en persoonlijkheid

            Hart
Nog breder en dus vager dan "gemoed" en bovendien (ten onrechte) associërend met het orgaan. Een achttal onderscheiden geestelijke betekenissen in te delen bij gevoel (3x), persoonlijkheid (3x), verstand (1x) en ziel (1x)


maandag 26 mei 2014

Kleren maken de vrouw

Bestaan er nog aantrekkelijke meisjes?

Kleren maken de vrouw. Op de deur van de dameskleedkamer staat een poppetje met een rokje – een vrouwtje.
"Kleren maken de vrouw" gaat tegenwoordig eerder op dan "kleren maken de man"; zeker voor wie het letterlijk opvat. Eerder heb ik hierover al het één en ander geschreven, maar omdat het toen zijdelings ter sprake kwam moesten er dingen blijven liggen.

“Waar kijk jij dan het eerste naar bij een vrouw?”
Deze vraag van mijn ploeggenoten bij de plantsoenendienst beantwoordde ik destijds tamelijk naïef, waarschijnlijk. “Nou… het hoofd, denk ik.” ‘t Gezicht, het haar. De kleren misschien ook.
Maar de meeste meiden en jonge vrouwen geven duidelijk te kennen dat er verder gekeken moet worden.
Die ziet er wel leuk uit. Alleen die spijkerbroek is jammer, maar verder is 't de moeite waard: lange blonde haren, mooie brede heupen, stevige benen… fraaie tekening, goed uier… tja, zo gaat dat.

Ergens op het internet vond ik een dubbelfoto van een aantrekkelijke vrouw van tweehonderd jaar geleden en eentje van nu. De eerste was een lieftallig meisje in een lange jurk van het kenmerkende model dat eeuwenlang geliefd was: met een strak bovenlijfje en een wijde rok. De tweede een hitsige hoer op naaldhakken, met geverfde lippen, een geruite panty en een kort rokje of broekje (dat was op de foto niet goed te zien).

Het valt me op dat vele, zo niet de meeste moeders hun dochtertje(s) leuker kleden dan zichzelf. Vanaf de tienerleeftijd wordt de kleding saai, nietszeggend, onvrouwelijk. In grote delen van Nederland komen dan ook geen echte meisjes meer voor; het spijt me dat ik het schrijven moet. En van de weinige meisjes die er nog zijn draagt vandaag de dag de helft – zeker de vijftien- tot twintigjarigen in het winterhalfjaar – zo'n zwarte legging met bijpassend ik-schaam-me-ervoor-dat-ik-een-meisje-ben-rokje.
Bestaan er eigenlijk nog aantrekkelijke meisjes? Ja, maar ze zijn uiterst zeldzaam geworden. "Eén uit een stad, twee uit een geslacht" in het gunstigste geval.
Kleding (en haardracht) bepaalt of iemand man, vrouw of twijfelgeval is, dat is mijn standpunt.

Er zijn de twee uitersten: enerzijds onthullende kleding die de aandacht op het lichaam richt en anderzijds kleur- en vormeloze, verhullende kleding. Maar er is ook een middenweg, die de twee deugden zedigheid en schoonheid verenigt, namelijk sierlijke kleding: zwierige lange rokken, folkloredansjurken… de mogelijkheden zijn er, alleen de moed ontbreekt.


maandag 19 mei 2014

Mannelijke geurtjes

Wie kent ze niet, de reclames voor deodorant, parfum, aftershave en dergelijke? Stoere kerels die trots zijn op dure geurtjes. Klinkt voor mij als een tegenstrijdigheid. Alsof je net zo'n flinke vent wordt als de reclameman door zijn merk luchtjes te kopen. Daar zit een luchtje aan…
Een man die parfum gebruikt – net zoiets als een adelaar die bosbessen eet.

Bovendien zijn die zogenaamd mannelijke luchtjes ook nog eens vreselijk chemisch. Misschien komen zulke luchtjes mannelijk over voor de vrouw van een chemisch fabrikant, maar voor mij in elk geval niet. Mannelijke geuren, dat zijn bijvoorbeeld sigaren- en pijprook, smeerolie, zaagsel, koeienmest, de geur van het vrije veld; en zelfs zweetgeur (al behoor ik ook niet bij de liefhebbers daarvan). Onder andere aan zulke natuurlijke geuren moet je een echte man kunnen herkennen.

Kortom, wat de reclame en de belhamels van de groep je ook mogen voorspiegelen, geurtjes uit een flesje of spuitbus zijn vrouwelijk. Of verwijfd.


maandag 12 mei 2014

Israël en de Palestijnen (slotopmerkingen)

Einde Palestijnen?

De bijdrage van vorige week zorgde voor een flinke discussie op Refoweb. Naar aanleiding daarvan een kort vervolg op het betoog; eigenlijk niet meer dan een paar opmerkingen, want het laatste woord is over deze ingewikkelde kwestie voorlopig niet gezegd en dat pretendeer ik dan ook niet te doen.

"Ik zou zeggen: Als het zo eenvoudig is, vertaal het in het Engels en mail het naar Kerry; Bibi en Abbas.
Of is deze blogspot wellicht toch een uitermate amateuristische symplificatie van het M.O.-probleem?"
Elke beschouwing van de kwestie in minder dan 10.000 woorden is noodzakelijk een simplificatie. Verregaande vereenvoudiging, dat is zeker de oplossing van Andrew Klavan, hoe schitterend fantastisch ook.
Ik blijf van mening dat de oplossing die ik uiteenzette één van de meest kanshebbende is, ware het niet dat het geboortecijfer van Arabieren beduidend hoger ligt dan van (verwesterde) Israëli's en dat de eersten zodoende in een verenigde staat binnen afzienbare tijd het numerieke overwicht kunnen hebben en dus de macht kunnen overnemen. Om dit te voorkomen moeten de Israëlische vrouwen zich minder richten naar westerse maatstaven, en geboortebeperking afwijzen. Goed. Intussen heeft Israël dan wel de kans te bewijzen het beste voor te hebben met ál zijn onderdanen, zoals nu de Israëlische Arabieren reeds ervaren.

Alleen de westerse wereld staat voor de zoveelste keer in de geschiedenis vijandig tegenover de Joden; het lijkt een wetmatigheid. Jy staan alleen in die land van melk en heuning – dat geldt misschien de Afrikaner, maar zeker de Israëli.
Het is me werkelijk een raadsel hoe dat komt; dat bijvoorbeeld de schuld van de armoede in de Palestijnse gebieden bij Israël wordt gelegd, ondanks de onophoudelijke stroom hulpgoederen vanuit het ook niet rijke Israël naar Gaza.
Voor een deel zou het als volgt te verklaren zijn, meent ene Timon Dias…
"Wat mijn studiegenoten betreft, kan ik hier toch altijd wel begrip voor opbrengen. Feit is nu eenmaal dat het bekritiseren van Israel de kans veel groter maakt op een date met die links-leunende moreel superieure mooie meisjes waaruit je sociale antropologie klassen bestaan, dan te suggereren dat het voortduren van het conflict in zijn essentie wellicht toch niet Israel’s schuld is. Een kwestie van prioriteiten."

Misschien evenwel zit er werkelijk meer achter – een andere dimensie, een hogere macht die partij gekozen heeft. Als dat zo is haalt politiek, in welke vorm dan ook, weinig uit en is de kans op een vreedzame oplossing nihil, want een oorlog in de geestelijke dimensie zal, zo voorspellen de oude profeten, zijn parallel hebben in de drie-dimensionale wereld.

Toch kan het nog interessant worden als de vermoedens dat de meeste Palestijnen van Joodse afkomst zijn juist blijken. Want "it is extremely revolutionary to tell people that their worst enemies are actually their brothers". Maar Israël mag gewoon niet bestaan. Een kwestie van prioriteiten.

maandag 5 mei 2014

Oplossing voor het Palestijnenprobleem

4 mei. Salafistische moslims komen samen voor herdenking van de slachtoffers van de "schaduwholocaust" die door Israël gepleegd zou zijn; de slachtoffers: Palestijnen. Die arme tweede-rangs-Arabieren zitten al tientallen jaren bijna letterlijk in de verdrukking, dicht opeengepakt in Gaza, weggeschopt door de Arabische wereld en Israël, veelal levend onder armoedige omstandigheden en bovendien stelselmatig volgestopt met Israël-haat, van thuis tot op school tot op straat en in de media.

4 mei. Europeanen komen samen voor herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog: soldaten, burgers, communisten, homo's, zigeuners (of worden die vergeten?) en ja, ook Joden; miljoenen. Dat zijn we moreel nog wel verplicht, maar daar houdt de sympathie voor het Joodse volk voor de meeste moderne Europeanen wel mee op. Want zoals Israël die arme Palestijnen onderdrukt, dat lijkt nergens op…

± 1040 v. Chr. Koning Sja'ul sticht de eerste staat Jisraëel, die door zijn opvolger Davied wordt uitgebreid en versterkt, met Jerusjaleem als nieuwe hoofdstad. Tot tweemaal toe wordt aan het bestaan van deze staat een einde gemaakt, de laatste in 70 n. Chr., maar in het land blijven Israëlieten wonen.
1920. Op de Conferentie van San Remo wordt de basis gelegd voor de nieuwe staat Israël, die in 1948 in het leven wordt geroepen.
1967. Egypte, Jordanië en Syrië vallen Israël binnen; dat slaat terug en verovert Sinaï, Golan, Gazastrook en Judea + Samaria ('Westelijke Jordaanoever'; zoiets als "Utrecht aan zee"). In daaropvolgende akkoorden stemt Israël ermee in deze gebieden weer op te geven, in ruil voor vrede. Israël voldoet in de komende jaren voor een groot deel aan die verplichtingen, maar de Palestijnen blijken niet bereid tot concessies. Israël is en blijft het enige land ter wereld (en het Joodse volk het enige volk) dat voortdurend met volledige vernietiging wordt bedreigd.
1993. In Noorwegen vinden onderhandelingen plaats tussen Israëlische en Palestijnse vertegenwoordigers, die uitmonden in de Oslo-akkoorden, die onder meer het betwiste deel van Judea en Samaria verdelen in verschillende zones en bepalen dat kwesties als grenzen, vluchtelingen, nederzettingen en Jeruzalem enkel via onderhandelingen mogen worden beslecht. Maar vervolgens eisen de Palestijnen dat Israël stopt met de bouw van nederzettingen (in zone C: Onder bestuur van de regering van Israël) alvorens te willen onderhandelen. Intussen nemen de VN de ene anti-Israëlresolutie na de andere aan, terwijl anderzijds het seculiere Israël zich beroept op bijbelse landbeloften. En elke keer lopen de onderhandelingen weer vast.

Plotseling wordt de oplossing voor het conflict op een presenteerblaadje aangereikt: Abbas dreigt de Palestijnse Autoriteit op te heffen; eind april 2014. Overigens niet voor het eerst. Maar Israël aarzelt. Durft het de verantwoordelijkheid niet aan?
Natuurlijk, de eerste tijd zal het er niet rustiger op worden en de voortdurend door Palestijnse raketten bedreigde Israëlische bevolking zal niet meteen rust krijgen. Maar dit is de kans van je leven, Israël! Maak er geen misbruik van en neem de verantwoordelijkheid ook de Palestijnse bewoners een goed bestaan te bieden een stap te zetten in de richting van blijvende vrede in het heilige land.
Ben ik zo'n idealistische dromer als ik me een Israëlische staat voorstel zonder happen eruit en zonder dreiging van Palestijnse terroristenorganisaties omdat de Palestijnen, Arabieren, Druzen, samaritanen, joden, christenen, negers en wie er allemaal nog meer mogen wonen, in vrede samenleven? De enigen die dit ideaalbeeld in de weg staan zijn uiteindelijk de Arabische fanatici die met hun onbegrijpelijk buitenproportionele jodenhaat velen in ieder land in het Midden-Oosten en daarbuiten ophitsen dit niet toe te staan.
En daarom moet er nog heel wat gebeuren; onder de Palestijnen moet een Ghandi of Mandela opstaan die jodenhaatzaaiende schoolboeken, radio- en tv-programma's en terreurnetwerken de wereld uit helpt. En in Europa mensen die hier het antisemitisme (wie weet nog dat daar strikt genomen ook Arabierenhaat onder valt?) tot bedaren brengen en ook de Nederlandse media zuiveren van jodenhaat.
Het zou me niet verbazen als Israël dan bereid is de 'Palestijnen' als volwaardige staatsburger te aanvaarden (zoals nu al het geval is met Arabieren in andere delen van Israël), inclusief hun godsdienst en alles wat daarbij hoort – alles, behalve de vorm van godsdienstfanatisme die pas doet rusten als de gehele wereld, en in het bijzonder een heilige plaats als Jeruzalem, met geweld vrij gemaakt is van alles wat niet mohammedaans is.