maandag 20 mei 2013

Pinkstervuur

Negentienhonderdtweeëntachtig jaar geleden, Wekenfeest in Jerusjaleem. Onverwacht horen vele in de omgeving van de tempel aanwezige pelgrims een loeiend gebulder als van een stormachtige windvlaag, een bazuinstoot uit de hemel. Toch wordt er niemand omvergeblazen, want het waait nauwelijks. Tegelijk ontstaat er een voelbare spanning in de lichtgevende ether, een energie die ook iedere niet-paranormaal aangelegde aanwezige waarneemt. Als door een magnetisch veld worden de mensen getrokken naar een bijgebouw van de tempel, het energetisch centrum, waar in een grote bovenzaal zo'n honderdtwintig man bijeen is. De nieuwsgierigen die de zaal binnendringen schrikken, zo ongewoon is het schouwspel. Boven het hoofd van elk van de honderdtwintig mensen brandt een flakkerende vlam.

Een onwaarschijnlijk verhaal? Ongewoon, maar niet onwaarschijnlijk en zeker niet onverklaarbaar. Behalve dat het verhaal is overgeleverd door betrouwbare getuigen, was het voorspeld, noodzakelijk en dus onontkoombaar, en voor eenentwintigste-eeuwers grotendeels reconstrueerbaar. Daartoe wil ik graag een poging wagen.
Van de man die straks het woord zal nemen om de toegestroomde menigte verontruste nieuwsgierigen toe te spreken zijn twee rondzendbrieven bewaard gebleven. In de tweede daarvan beschrijft hij een eerdere ervaring die een zekere samenhang vertoonde met die van deze dag. Hij spreekt daarbij van "een stem van de hoogwaardige heerlijkheid", zoals Statenvertaling het weergeeft. Het woord "hoogwaardig" roept wellicht associaties op met de atoomfysica, waarin het verband houdt met een sterk verhoogd energieniveau.
Nu, de hemel, Gods troonzaal, is een plek met een voor aardse begrippen ongelooflijk hoge energiewaarde, blijkens de enkele malen in de geschiedenis dat iemand daarvan een glimp opvangt. Volgens het Oude Testament is er nooit in de geschiedenis een zo groot profeet opgestaan als Mosjee. Hij was dan ook degene die het meest en intensiefst met de hoogwaardige heerlijkheid in aanraking is geweest. Toen hij nog schaapherder was zag hij eens een doornstruik branden – althans, zo leek het, maar de struik verbrandde niet, dus er was een ander soort energie aan het werk. Toen hoorde hij een stem. Later, toen hij zijn volk uit Egypte geleid had, werd de berg Sinaï gehuld in rookwolken met bliksem en loeiend gebulder – een bazuinstoot uit de hemel, want God daalde neer op de berg. Nadat Hij Mosjee tot Zich had geroepen, deze daar veertig dagen lang omringd was geweest door Zijn aanwezigheid en vervolgens weer teruggekeerd was om met zijn volk te spreken, straalde zijn huid van een bovennatuurlijke energie.
Vijftienhonderd jaar later, vijftig dagen vóór de gebeurtenis op het Pinksterfeest, ontmoetten enkele vrouwen twee engelen, menselijke gedaanten in een gewaad dat straalde met een bovennatuurlijke glans.
Waar is de hemel? Het begrijpelijkste antwoord – althans voor een eenentwintigste-eeuwer – luidt: in een hogere dimensie. Door eeuwenlang filosoferen is het begrip "hemel" uitgesplitst in verscheidene betekenissen, waar dat alles voor een eerste-eeuwer nog één geheel vormde. Voor mensen uit onze tijd is het dus noodzakelijk geworden uit te leggen dat Jesjoea niet miljoenen lichtjaren sterrenhemel hoefde te doorkruisen alvorens in de hemel aan te komen; Hij 'stapte' nadat hij de wolk bereikt had eenvoudig over in een hogere dimensie.
Op deze Pinksterdag is de grenslijn tussen onze drie-dimensionale werkelijkheid en de hogere vervaagd. Hierdoor manifesteert zich een ongekende energie op aarde, dicht bij de heilige plaats (zoals dat meestal ook het geval is met de zwakke, slechts voor paranormaal begaafden waarneembare aardenergieën).
Een zo hoge spanning, als was het een elektrische lading, moet wel leiden tot een verschijnsel als het Sint-Elmusvuur, dat soms verschijnt op de top van een scheepsmast, een torenspits of
zelfs het hoofd van een op een heuveltop staande man…

De uitwerking van dit stukje hemel op aarde strekt zich evenwel verder uit, zullen we volgende week zien.

maandag 13 mei 2013

Schoonheid in de mode

Schoonheid is uit de mode. Al meer dan honderd jaar. Zowel uit de mode van kleding als die van bouw en huisinrichting. Wat de bouw betreft heeft het te maken met het verdwijnen van de kunst uit de bouwkunde, een proces dat al snel na de Gotiek inzette; bouw is tegenwoordig te zeer gericht op functionaliteit om nog veel aandacht te hebben voor schoonheid. En wat betreft huisinrichting: de strakke zwart-witmode van de laatste paar jaar is hooguit stijlvol te noemen, maar vooral minimalistisch.
Overigens wordt "mode" – het Franse woord voor "gebruik" – tegenwoordig vooral verbonden met kleding – de meeste kledingzaken verkopen "mode" in plaats van kleding – en daarom zal ik daar in deze bijdrage de meeste aandacht aan besteden; voor deze ene keer sluit ik me aan bij het gebruik.

Hoewel een knap gezichtje meer waard is dan ooit, speelt schoonheid vrijwel geen rol meer in kledingontwerp. Schoonheid wordt verward met onberispelijkheid en aantrekkelijkheid, of juister: aandachttrekkerij. Feitelijk is niet langer is van belang of iets mooi is, maar of het in de mode is; anders gezegd: of de massa het ook heeft.
We hebben het dan over de kleding van de vrouw – het schone geslacht, een gegeven dat evolutionistisch moeilijk verklaarbaar is, maar daarom des te waarder – want kleren maken de vrouw: de kleding bepaalt voor een belangrijk deel of iemand een echte man of vrouw is dan wel één van de vele twijfelgevallen die vandaag de dag het straatbeeld bepalen. Nu terug naar het onderwerp. Als een vrouw al kiest voor vrouwelijke kleding, ook dan is daar vaak weinig schoonheid meer in te herkennen. Wie in plaats van een lelijke spijkerbroek een rok wil dragen lijkt slechts de keus te hebben tussen een rimpelrok – alleen het woord is mooi – of een strak minirokje met legging – zelfs het woord is lelijk. Gelukkig is dit schijn, maar gedwongen door de mode c.q. de massa durven slechts zeer weinig meisjes nog te kiezen voor kleding die vooral fraai en vrouwelijk is.
Vergelijk hedendaagse dameskleding eens met die van de gegoede stand tot het einde van de negentiende eeuw, alsmede vele streekdrachten uit heel Europa, en ontdek dat ook hierin slechts functionaliteit van belang wordt geacht, wat een grote misvatting is en een groot verlies betekent, want zoals we eind maart al zagen verrijkt schoonheid het leven.
Slechts bijzondere gelegenheden zijn in staat om het aspect schoonheid uit het vergeten hoekje te halen; de inhulding van onze nieuwe koning onlangs, bijvoorbeeld; of een bruiloft. Schoonheid is de factor die (een deel van de) dans-, gala- en bruidskleding doet verschillen van mode.

maandag 6 mei 2013

De leeuw en de olifant (2)

Het is nacht op de savanne van Midden-Afrika. Volslagen donker is het niet, want een bijna volle maan werpt haar schijnsel over vlakten van golvend grasland en donkere kreupelbosjes. Dat licht is ruim voldoende voor vele groepen grazers om de nachtelijke uren niet onbenut te laten. En als de grazers wakker zijn, dan ook de rovers.

Geeuwend rekt een groepje leeuwinnen zich uit in de dekking van wat doornstruiken. Ze zijn met hun vijven. De leeuw die de troep compleet maakt bevindt zich op dit ogenblik buiten het gezichtsveld. De slaap heeft de leeuwinnen goed gedaan, maar nu beginnen ze honger te voelen. De laatste antilope is al geruime tijd geleden over de leeuwenmagen verdeeld en het wordt tijd om uit te kijken naar nieuwe prooi: een zebra, een buffeljong of wat zich maar laat overmeesteren en verslinden.
De eerste leeuwin staat op en rekt zich uit. Traag volgen de andere haar voorbeeld, totdat de eersten naar de rand van het open veld sluipen om te zien wat er deze nacht op hen wacht. Kilometers verder, dankzij het maanlicht nog juist zichtbaar op de open vlakte, graast een grote kudde wildebeesten. Verder lijkt de savanne verlaten, totdat de grond begint te trillen, zacht, maar stilaan duidelijker waarneembaar voor de geoefende leeuwenzintuigen. Dan maakt een donkere omtrek zich los uit de schaduw van enkele acacia’s. Een kleine afdeling van een olifantenkudde betreedt het jachtveld van de leeuwen. Als op een teken sluipen de leeuwinnen op de grootvoeten toe, om hun kansen in te schatten. Met een omtrekkende beweging naderen ze de kleine kudde van verschillende kanten. Binnen enkele ogenblikken hebben ze hun slachtoffer gekozen: een jong dier dat nog niet de volwassen afmetingen heeft bereikt en nog onervaren is. Als de leeuwen dit jong weten te isoleren kunnen ze zeker zijn van hun prooi.

Dan dreunt een huiveringwekkend gebrul door de nacht – de leeuw heeft zich bij zijn wijfjes gevoegd. De olifanten horen en ruiken hun vijanden angstwekkend dichtbij en slaan op de vlucht. De leeuwen hebben hen echter snel omsingeld en zaaien verwarring in de groep. Het duurt niet lang voordat het kalf van zijn moeder wordt gescheiden en wordt geïsoleerd van de kudde. Onmiddellijk springt één van de leeuwinnen op de rug van het olifantenjong en bijt zich vast in zijn nek. De andere vallen het kalf van bezijden aan, terwijl ze de inmiddels tot staan gekomen olifanten op een afstand houden. Gezamenlijk dringen die echter steeds sterker op, waardoor de leeuwen hun prooi dreigen te moeten loslaten. Als een olifantkoe een uitval waagt worden leeuwinnen gedwongen het jong los te laten, maar als de koe zich daarop terugtrekt pakken ze opnieuw hun kans. Uiteindelijk lijken de olifanten erin te slagen het jong in hun midden in veiligheid te stellen, maar dan verschijnt de leeuwenman ten tonele. Met een woeste grauw valt hij de leidende olifantkoe aan, die daartegen niet bestand is en op de vlucht slaat, gevolgd door de andere koeien. Het jong raakt achterop, verzwakt door pijn en bloedverlies.

Plotseling dreunt echter de grond onder de aanstormende poten van een olifantstier die de kudde op een afstand vergezelde. De koeien horen dit, staken hun vlucht en keren zich om naar hun belagers. De indrukwekkende verschijning van de reusachtige bul doet de leeuwinnen terugdeinzen. Maar de machtige leeuw laat zich niet afschrikken en zet zich schrap voor de aanval. Intussen heeft de stier zich tussen het jong en de leeuwen geplaatst, waarmee hij zichzelf tot doelwit maakt.
Dreigend halen de leeuwinnen uit naar zijn voorpoten, maar moeten keer op keer terugspringen om de slagtanden te ontwijken. Ongemerkt is de leeuw echter om de olifant heen geslopen naar diens kwetsbare achterzijde en dan waagt hij de sprong. Beet! De leeuwenmuil heeft zich vastgebeten in een achterpoot van de stier en weigert los te laten. Steeds vaster bijten de leeuwentanden zich in de olifant en terwijl nu van alle kanten de leeuwinnen opdringen is het einde nog slechts een kwestie van tijd.

Dan heft de stier zijn poot en met een onverwachte wending stoot hij de leeuw tegen de grond – en verplettert zijn kop. Meteen draait de woedende bul zich om en stoot een slagtand door het kronkelende lichaam van de leeuw, die een laatste brul uitstoot en sterft. De leeuwinnen vluchten van het slagveld en de olifanten zijn gered, het jong veilig in hun midden.

maandag 29 april 2013

De leeuw en de olifant (1)

Leeuwen spreken tot de verbeelding. Vele safaritochten worden omwille van hen ondernomen en talloze wapens verbeelden hen. De leeuw is de machtigste van de roofdieren en wordt zelfs de koning der dieren genoemd. Geen mens begrijpt overigens waarom een misvormde versie van dit roofdier ook op de Nederlandse wapenschilden prijkt. Een Oeros, Zeearend, Grutto of de Moerasandijvie (aldus een pleidooi van plantenkundige Weeda) zou toepasselijker zijn. Een verscheurend beest past ook niet bij onze nieuwe koning. Willem Alexander zal een vreedzaam vorst zijn, hoewel misschien iets te vreedzaam en toegeeflijk. Wat moet Nederland trouwens met een uitheems roofdier? Laat de Grutto ons symbool zijn – betrekkelijk klein, maar sierlijk en fier.

De leeuw is een groot roofdier, hoewel kleiner dan de IJsbeer. De leeuw jaagt vaak in groepen, hoewel minder georganiseerd dan de Wolf. De leeuw is snel, hoewel minder snel dan het Jachtluipaard. De leeuw heeft een bek vol gevaarlijke tanden, hoewel minder dan een krokodil. De leeuw heeft sterke kaken, hoewel minder krachtig dan die van hyena’s. Tot slot heeft de leeuw de beschikking over scherpe klauwen, hoewel niet zo scherp als die van een luiaard. Deze combinatie evenwel maakt de leeuw tot waarschijnlijk het gevaarlijkste roofdier op aarde, in elk geval van het Afrikaanse continent, waar veruit de meeste leeuwen voorkomen en waar ze concurrentie hebben te voeren met meerdere andere grote roofdieren en waar de grootste prooien in de grootste aantallen aanwezig zijn.

Bekijk nu eens enkele leeuwenfilms en zie de wreedheid van deze dieren. De leeuw is een duivel. Niet voor niets vergelijkt de apostel Petrus in de Bijbel Satan met een leeuw.
Voor zijn gebrul siddert de dierenwereld en niets en niemand lijkt tegen hem bestand. Toch is dit schijn.
Het is waar dat hyena’s en luipaarden het in een gevecht meestal moeten afleggen tegen de leeuw. Het is waar dat leeuwen meestal betrekkelijk weinig moeite hebben met het overmeesteren van een zebra of een wrattenzwijn, maar er zijn uitzonderingen. Het is waar dat de honingdas meestal vlucht voor een leeuw, maar als het erop aankomt moet de duivelse leeuw in dit kleine monstertje zijn meerdere erkennen. Niet zelden vallen leeuwen Kafferbuffels, Nijlpaarden, neushoorns of olifanten aan, maar ze wagen het slechts met een groep de aanval te openen op een geïsoleerd dier en als het op kracht aankomt heeft de leeuw tegen deze weerbare herbivoren geen schijn van kans.
Een enkele keer waagt een leeuw het een krokodil aan te vallen in een opdrogende poel, wat uitmondt in een woest gevecht tussen de duivel van het land en de draak van de wateren.

Nog een andere persoonlijkheid in de Bijbel wordt vergeleken met een leeuw: Christus. Mijns inziens ten onrechte. De leeuw is een wreed roofdier met een grote bek, dat brult, verscheurt en verslindt. Christus is echter een vredelievende Vorst, die evenwel als het moet zijn vijanden moeiteloos kan verslaan en vertrappen. Christus is de ware Koning van de mensen- en geestenwereld, zoals de olifant de onbetwiste heerser is van de dierenwereld te land, in intelligentie en kracht veruit de meerdere van de veelgeroemde leeuw.

maandag 22 april 2013

Schoonheid in de taal

Wie associeert schoonheid nou met taal? Ik dus. Een hebbelijkheidje van mij, misschien, maar ik wil er toch een bijdrage aan wijden om dat uit te leggen, want omdat taal elke dag om je heen is ben je dus ook elke dag omringd door schoonheid als je het eenmaal heb ontdekt, zelfs al zou je in nog zo’n lelijke omgeving wonen, zonder natuurschoon, zonder zingende vogels, zonder mooie meisjes, misschien zelfs zonder mooie muziek…

Waar moet je beginnen en waar eindigen om schoonheid van taal te benoemen? Ik beperk me nu maar tot twee dingen: klank en woorden.

Laat me eens met het laatste beginnen. Wat vind je van een woord als "verdonkeremanen"? is dat geen prachtige vondst? Maar ook de klank van "knots" of van "vlinderen" – volslagen verschillend, maar geknipt voor het woord waar ze voor staan. En "zwoel", is dat niet een prachtig rijk woord? En ik kan nog wel even doorgaan: krachtige kreten als "vernachelen", "rimram" en "karbouw", tedere koosnaampjes als "meisje" en "lieveling", heldhaftige archaïsmen als "schelm" en "schermutseling", "vermorzelen" en "teisteren"…
Maar niet alleen het Nederlands telt mooie woorden. Ook het Duits, bijvoorbeeld. Wat dacht je van "Hengemunde"? Spreekt dat niet tot de verbeelding? En een heel gewoon begrip als "Zeit" – kort, maar krachtig; en het niet veel meer gebruikte, maar prachtige "Wonne" – zulke woorden vind je maar zelden.
Voor Nederlanders is ook het Afrikaans een rijke schatkamer van leuke woorden, bijvoorbeeld dierennamen: "krimpvark", "stokkiestert", "loerie" en "bloubokkie", of begrippen als "vasgevang", "rondawel", "springmielies" en "bittereinder" – juweeltjes, nietwaar?
En zo hebben bijna alle talen wel hun gouden kleinodieën. Wat dacht je van het Noorse "risle" of het Hebreeuwse "katonti"? Het zal je dan ook niet verbazen dat er wel eens een verkiezing gehouden is van het mooiste woord ter wereld. In 2007 werd het Turkse woord "yakamoz" verkozen als winnaar. Ongetwijfeld speelde hierbij de betekenis een doorslaggevende rol; die luidt namelijk: "weerspiegeling van de maan in het water". Buitengewoon romantisch. Een woord dat ook op de nominatie stond en wat mij betreft het fraaist klinkend woord is ter wereld: "jabulani", Ndebele (een negertaal) voor "vreugde".

Daarmee komen we bij de klank van talen als geheel. Alleen al Europa kent een rijke verscheidenheid van klanken. Elke taal klinkt anders. Dat geldt ook voor dialecten, waarover we het een paar maanden geleden hebben gehad. Hoor maar eens het verschil tussen Zeeuws en Gronings, die elk een bijzonder eigen karakter hebben.
De ene taal klinkt ook mooier dan de andere. De ene taal heeft meer karakter dan de andere. Talen als enerzijds het welluidende Frans en Italiaans en anderzijds het rauwe Duits en een stoere oertaal als het Spaans hebben karakter. Het Engels daarentegen – dat tegenwoordig bijna alomtegenwoordig is, en me daardoor noopt er wat meer woorden aan vuil te maken – is een tamelijk karakterloze taal. Misschien geldt dit ook voor het Nederlands, maar dat kan slechts een buitenstaander beoordelen. Hoewel, de Vlaamse schrijver Tom Lanoye omschrijft het Nederlands als "een prachtige, vloeiende, goed bekkende taal, rijk van klank".
Hoewel Brits Engels niet onwelluidend is, zal er in de wereld waarschijnlijk geen taal te vinden zijn die zo afschuwelijk klinkt als Amerikaans Engels, in het bijzonder het lijzige kauwgomaccent uit de zuidelijke staten. In feite hoeft dit niemand te verbazen, want hoewel Amerikanen in veel dingen goed zijn, schoonheid is niet hun specialisme. Amerikaans is trouwens de dronkemansversie van het Engels, dus kán ook niet mooi klinken.
De gretigheid waarmee Nederlanders de Amerikaanse taal en cultuur omarmen geeft dus blijk van gebrek aan esthetisch gevoel. Bovendien is het – neem me kwalijk dat ik het zeg – een teken van domheid. Engels is de taal voor 'dummies'. Een intelligente Nederlander leest en luistert Zweeds, Latijn of Russisch. Maar dat terzijde.

maandag 15 april 2013

Schoonheid in muziek

Muzikaliteit is één van die kenmerken die de mens onderscheiden van dieren. Muziek veraangenaamt het menselijk bestaan.
Naarmate een samenleving zich ontwikkelt van primitief naar beschaafd krijgen ook kunstuitingen meer gelegenheid zich te ontplooien. Zo ook de muziek. Vanuit eenvoudige, primitieve, onharmonische vormen ontwikkelde de muziek zich tot buitengewoon ingewikkeld en harmonisch ten tijde van het hoogtepunt van de Avondlandse Cultuur, tussen Renaissance en Romantiek.

Muziek werkte heilzaam, zo illustreert Henryk Sienkiewicz in zijn al eerder aangehaalde roman Quo vadis? met het voorbeeld van keizer Nero –
,,… De mensen weten niet hoeveel goedheid in dit hart van mij verborgen ligt en welke schatten zich daarin openbaren, als de muziek de toegang ertoe ontsluit.”
Petronius twijfelde er helemaal niet aan of Nero sprak de volledige waarheid. Ook hij was ervan overtuigd dat de muziek meer edele gewaarwordingen in zijn ziel zou kunnen wakker roepen, die nu onder bergen van zelfzucht, verdorvenheid en misdaad werden verstikt.
Veelzeggend is ook het voorbeeld van de jeugdige David die met zijn citer bij koning Sja’ul geroepen wordt om hem op te beuren als hij door een sombere geest wordt gekweld
(I Samuël 16:23).

Een belangrijk aspect van goede muziek is schoonheid. Het kan dan gaan om verschillende aspecten van de muziek, zoals harmonie, instrumentkeuze en zeker ook de melodielijn. Met name in de Barok (17e eeuw) en het Classisisme (18e eeuw) werd er gestreefd naar zo groot mogelijke schoonheid. In de Romantiek – waarin het einde van de hoogstaande cultuur zich aftekent en de mens volgens Spengler nog één keer achteromkijkt en treurt om zijn verdwijnende jeugd – stonden harmonie en oorspronkelijkheid centraal. Vooral Barok-componisten (zoals Albinoni, Vivaldi, Bach en Händel) waren van mening dat er zoiets bestond als absolute schoonheid. Maar ook in het werk van een groot componist als Beethoven speelt schoonheid een belangrijke rol. Luister maar eens naar zijn vioolconcert.

Eén van de grootste tekortkomingen van onze tijd is dat schoonheid verdwijnt uit de muziek – degeneratie allerwegen. Desondanks zijn er natuurlijk nog wel mooie tegenvoorbeelden: de zuivere schoonheid van de Altan-versie van Moll Dubh a' Ghleanna, de ontroerende eenvoud van Enya's Paint the Sky with Stars, de bevrijdende harmonie van het Friese Fûgels of het Vlaamse Vrij als een vogel of de geniale compositie van Michelle Tumes' Gypsy Heart, om er enkele te noemen. En dan is er nog de schoonheid van liedteksten; één voorbeeld: Mijn vlakke land van Jaques Brel; maar daarmee komen we al snel op het gebied van dichtkunst en dat valt buiten dit bestek.

Met het besprokene in gedachten is het vanzelfsprekend dat in de hemel geen muziek van Doghouse Gallows, Lady Gaga of – ondanks de naam – Saving Grace zal klinken. Jawel, ook ikzelf ben wel eens in de stemming voor een ruig nummer van Rammstein, maar dat zijn niet mijn beste ogenblikken.

dinsdag 2 april 2013

Intermezzo – prijsvraag

In een tijd van taalverarming, waarin oude begrippen worden vergeten en nieuwe begrippen van een vreemde taal moeten worden geleend, lijkt het me goed om eens aandacht te schenken aan het fraaie verschijnsel nieuwvorming. Misschien moet ik er eens een volledige bijdrage aan wijden, maar deze week beperk ik me tot een aantal neologismen uit Schaduw van de werkelijkheid.
Ik doe dat vandaag in de vorm van een prijsvraag. Degenen die het boek kennen hebben een voorsprong, maar juist degenen die het nog niet in huis hebben wil ik uitdagen eens een poging te wagen een antwoord te bedenken op de volgende vragen. De beste inzenders ontvangen een gesigneerd exemplaar van het boek. Je hoef heus niet alle antwoorden gevonden te hebben, dus doe maar een gooi en geef je reactie door aan Kees (keesvanreenen@zichzelf.nl), dan zal die het verder regelen.

***

Vraag 1: Wat betekenen de volgende woorden?
a.  angstspreeuw
b.  droommaker
c.  esdoormpje
d.  fliflafje
e.  flitteren
f.  fotogravure
g.  gauwig
h.  incosinuatie en
i.  in-tangsituatie
j.  is-goed
k.  kwijbel
l.  mieghondje
m.  nozel
n.  plaagwesp
o.  raaskal
p.  schimnis
q.  schrijfmodus
r.  stewig
s.  strikbeeld
t.  waarschijnbaar
u.  wijkfarao
v.  wormenregen
w.  zwakkerenzorg

Vraag 2: Welk gezegde komt niet voor in Schaduw van de werkelijkheid?
a.  Als een Bosuil in de nacht
b.  Door je kistje zakken
c.  Een gat in de ozonlaag slapen
d.  Een koeienoog op een goud stokje
e.  Een zwart gat in de hand hebben
f.  Jezelf een vinger afbranden
g.  Met de grote heren aan tafel gaan
h.  Oorlog maakt blauwe bonen goed.

***

Bonusvraag 1: Bedenk zelf drie nieuwvormingen, die niet zouden misstaan in de lijst van vraag 1 en die verder zouden kunnen opfleuren.

Bonusvraag 2: Maak je top-3 van mooiste uitdrukkingen uit de volgende reeks:
a.  aantjes en uitjes
b.  bijster snugger
c.  Dat preekt vanzelfs
d.  een halfvergane redenering
e.  het eten bekokstoven
f.  iets hebben ophangen
g.  je tijd verdoezelen
h.  letters rangschikken
i.  morrelen aan de morelen
j.  Parthen spelen
k.  samenscholende vertrekvogels
l.  tamelijk goed snik
m.  ’t zont
n.  voorin ’t uitzicht
o.  voortgloeiende versinteling
p.  vrijwel ongetwijfeld

Succes!

maandag 25 maart 2013

Schoonheid kan de wereld redden

“Alleen schoonheid kan de wereld redden”, zei eens de grote Russische schrijver Dostojevski. Er ligt veel waarheid in deze uitspraak; in deze bijdrage zal ik uitleggen waarom.

"Schoonheid" was het sleutelwoord, de samenvatting van de paradijselijke natuur in de tijd waarin de aarde nog ongerept en zuiver was. Schoonheid is er nog steeds te vinden in nog niet door mensenhanden misvormde natuur op aarde, in een zonsondergang boven zee, de zang van een Merel, in een kleurige paradijsvogel of een sierlijke Kluut, een passiebloem of de kleur van een goudsbloem, een oud boerderijtje in een lommerrijk landschap. Schoonheid en gevoel voor schoonheid veraangenamen het leven in het arme Mali. Schoonheid maakte vroeger de muziek tot medicijn en de beeldende kunst tot cultureel hoogtepunt. Schoonheid is het leidende beginsel in onder meer Russische, Bulgaarse, Balinese en Venezolaanse folkloredans, die de wereld verrijkt in stijlvolle pracht en een wervelende weelde van kleurrijke fleurigheid.

Een Colombiaanse folkloredansgroep werd opgericht om bewustwording van de rijke culturele geschiedenis van Colombia in te zetten tegen het geweld dat het Zuid-Amerikaanse land teistert, en streeft nog altijd, onverminderd naar dat schone doel.

Het oude Rome kende ten tijde van Nero een Arbiter Elegantiæ, een scheidsrechter inzake de goede smaak, in de persoon van opperceremoniemeester en adviseur Gaius Petronius, kunstkenner bij uitstek en schoonheidsliefhebber voor het leven. Toegegeven, deze functie was een uitvloeisel van de decadentie van die dagen, maar wel het beste uitvloeisel ervan. Henryk Sienkevicz beschrijft in Quo vadis?, de beroemdste historische roman aller tijden, hoe Petronius’ esthetisch gevoel maakte dat hij een afkeer had van bloedvergieten en wreedheid, ondanks zijn gebrek aan ethisch besef.

Schoonheid is schaars geworden in de bouw, de schilderkunst en de muziek, is de grote afwezige in de moderne dans, heeft het niet langer voor het zeggen in de mode van kleding en huisinrichting, wordt node gemist in de grote steden en in het bijzonder onder de straatarme bevolking der eindeloze sloppenwijken.

Ook ons land zou gebaat zijn bij een arbiter elegantiæ, een smaakmaker die kunst van nep, echte schoonheid van gemaaktheid vermag te onderscheiden en het esthetisch besef in de maatschappij weet te bevorderen – een Minister van Esthetica? Weliswaar zou het moeilijk zijn iemand te vinden wiens kennis van en gevoel voor kunst boven alle twijfel is verheven, die daarin zelf met kop en schouders boven de rest uitsteekt, in een samenleving waarin bijna ieder meent gevoel te hebben voor en een mening over wat mooi is. En het is waar dat het Romeinse kunstgevoel grotendeels steunde op de Griekse erfenis. Wel, evenzo is ons cultureel erfgoed goeddeels afkomstig uit de Gotiek, de Barok en de Romantiek – kortom, de periode van de Cultuur. Maar dat is waar een cultuur die het tijdperk van de Beschaving is binnengetreden het mee moet doen.

De apostel Petrus voert in het Nieuwe Testament een pleidooi voor innerlijke schoonheid. Volkomen terecht. Als één vorm van schoonheid in staat zal zijn de wereld te redden is het de innerlijke. Toch, bij gebrek aan – of liever: als uitdrukking van inwendige luister is uiterlijke schoonheid en gevoel voor wat goed en mooi is van onschatbare waarde.

maandag 18 maart 2013

De ondergang van het Avondland (slot): Chinezen, Arabieren of Nieuwe Wereldorde?

De kogel is door de kerk en de SGP gaat overstag. De in de jaren zestig ingezette afbraak van de moraal is bijna voltooid. Nog slechts enkele waarden scheiden ons van onze ondergang.

En nu? Het slot van een reeks over een zo zwaarwichtig thema als dat van de laatste weken zou een grootse climax moeten zijn, een grande finale; maar dat wordt het niet. De toekomst is per definitie een onderwerp waarover we geen volledige kennis kunnen hebben en dus lijken definitieve conclusies hier niet op hun plaats. Ik zal mij daarom beperken tot het trekken van enkele lijnen, en laat het trekken van de conclusie(s) aan u over.

Vijfendertig jaar geleden was de angst bijna tastbaar aanwezig dat de Russen Europa zouden veroveren en zo een einde maken aan onze westerse beschaving. Tegenwoordig lijken de Chinezen meer kans te maken. Immers, China is bezig aan een angstwekkende economische opmars en breidt zijn invloed hoe langer hoe verder uit, tot in de verste uithoeken van de aardbol. Het lijkt een kwestie van tijd tot China zich niet langer tevreden zal stellen met economische groei en invloed.
Intussen klinken er echter ook steeds duidelijker signalen vanuit de Arabische wereld, waarschuwingen die wij niet in de wind moeten slaan. Volgens sommige waarnemers zal het Arabië zijn dat onze ondergang zal inluiden en de islam die de laatste overblijfselen van onze joods-christelijke cultuur zal wegvagen.

Vrijmetselarij is een onderwerp dat ik in de twee jaren die Schaduw van de werkelijkheid omspant nauwelijks heb bestudeerd, en waarover Kees dus ook niets heeft geschreven, hoewel het uitstekend past binnen het kader van het boek. De vrijmetselarij is een wereldwijd genootschap dat al enige eeuwen oud is en vele leden telt. Om lid te worden moet je een inwijding ondergaan; vervolgens begin je in de onderste graad, waarna je kun opklimmen tot hogere graden.
Uit de hoogste graden van de vrijmetselarij, maar wellicht ook uit andere genootschappen, zou een groep genaamd Illuminati voortkomen. Er is een wereldwijd verspreide theorie (critici noemen het een complottheorie) die stelt dat de Illuminati een Nieuwe Wereldorde voorbereiden. Hun symbolen, veelal afkomstig uit de vrijmetselarij, zouden overal opduiken; een bekend voorbeeld is het "oog van Horus" op het Amerikaanse dollarbiljet en grootzegel. Vrijwel alle belangrijke Amerikaanse journalisten schijnen er banden mee te hebben, maar ook de directie van invloedrijke bedrijven als Google zouden Illuminati tellen of er zelfs uit bestaan; voorts zouden de Illuminati banden hebben met de Arabische wereld, onder andere met Al Qaida. Uiteindelijk zou met behulp van techniek een Nieuwe Wereldorde werkelijkheid worden, waarin een absoluut gezag volledige beheersing heeft over het doen en laten van haar onderdanen, de wereldburgers.
Uiteraard zijn 'objectieve' bronnen als Wikipedia ronduit sceptisch over deze theorie, maar hoeveel zicht hebben die op de werkelijkheid? De moeilijkheid is dat de beweringen moeilijk te bewijzen zijn. Intussen zijn de ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie zorgwekkend. Welke bijbellezer heeft de laatste jaren geen verband gelegd of horen leggen tussen het "teken van het beest" uit de Openbaring en microchips?

In zijn tweede bekende brief aan de gemeente van Thessalonica waarschuwt de apostel Sja'oel (Paulus) voor een antichrist, de tegenstander van God die de wereldheerschappij naar zich toe zal trekken en het geloof te vuur en te zwaard zal bestrijden. Dezelfde figuur komen we tegen in de eerste rondzendbrief van de apostel Jochanan en in diens Openbaring. Reden genoeg om verband te leggen met de door Spengler voorspelde dictatuur die een einde zal maken aan de Avondlandse beschaving en als we de Bijbel goed begrijpen tevens aan de voorlaatste periode van de wereldgeschiedenis.

maandag 11 maart 2013

De ondergang van het Avondland (2): Het einde van de democratie

Volgens de vorige week besproken Oswald Spengler eindigt de tijd van de democratie rond de millenniumwisseling. Nu, wat dat betreft hebben we uitstel van executie gekregen. Maar betekent uitstel ook afstel? Hoogstwaarschijnlijk niet.

Om een goed werkende democratie mogelijk te maken moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden. De twee voornaamste zijn de volgende. Ten eerste moet er een basale samenhang zijn in een samenleving. Ten tweede moet de samenleving een zekere gezamenlijke moraal bezitten. Godsdienst kan een goede leverancier zijn van een de(r)gelijke moraal; "godsdienst heeft een temperende werking", aldus professor Andreas Kinneging, want godsdienst maakt je gericht op het belang van de gemeenschap. Een derde randvoorwaarde die Hans Frinsel noemt in het tijdschrift De Oogst is godsdienstvrijheid.

Wie zijn ogen openzet ziet hoe deze drie fundamentele voorwaarden langzaam maar zeker worden uitgehold en ondergraven in een decadente samenleving die trekken vertoont van de nadagen van het Romeinse Rijk, de laatste fase van de Antieke cultuur. Verregaande individualisering maakt van de maatschappij (een maetscap was een vriendengroep) een vormeloze massa, een kenmerk van Spenglers "wereldstadfase". De gezamenlijke moraal is ver te zoeken, steeds verder eigenlijk. En ook  de godsdienstvrijheid raakt steeds meer in het gedrang – lees de kranten. Een gevaar voor alle democratie is een "tirannie van de meerderheid". West-Europa wordt bedreigd door een dictatuur van de seculiere meerderheid.

Democratie heeft belangrijke nadelen. Ik zou nog kunnen noemen het gevaar dat een democratische regering belangrijke, maar impopulaire maatregen kan mijden om niet straks door de kiezer gestraft te worden. Maar alles bij elkaar is democratie misschien nog wel de beste van de 'kwaden'; met de woorden van Winston Churchill: "Democracy is the worst form of government except for all those others that have been tried." Dus we hebben weinig reden om het einde van de democratie met verlangen tegemoet te zien.

En als de democratie eindigt, wat krijgen we dan? Volgens Spengler weer een soort despotisme, dictatuur, voor een eeuw of twee.

Dat lijkt misschien erg vergezocht; wie ziet dat in onze tijd gebeuren? Maar er is nóg een ontwikkeling, die misschien wel het einde inluidt van de cultuurcycli waaruit de wereldgeschiedenis tot nu toe heeft bestaan, en wellicht het begin van het einde van de hele wereldgeschiedenis, en dat is de globalisering die werkelijkheid wordt dankzij de moderne massacommunicatiemiddelen. Bovendien zijn er volgens velen wel degelijk tekenen die erop wijzen dat een dictatoriale wereldheerschappij voor de deur staat, een gebeuren dat de Bijbel reeds schijnt te voospellen – een voorspelling die de jongeren onder ons wellicht nog zullen zien uitkomen. Het "land van de ondergaande zon" zal zijn naam waarmaken.

Je sluit de ogen voor de tekens aan de wand.
Je dooft de pot en wil het ook niet weten, want…
Avondland

dinsdag 5 maart 2013

De ondergang van het Avondland (1): Van Cultuur naar Beschaving

De Duitse wijsgeer Oswald Spengler lanceerde in 1918 een geruchtmakend boek met de veelzeggende titel Der Untergang des Abendlandes. Hierin verklaart hij zijn opvatting dat de geschiedenis bestaat uit een reeks gelijkvormige cultuurcycli. De Babylonische, de Egyptische, de Chinese, de Indische, de Indiaans-Mexicaanse, de Grieks-Romeinse, de ‘Arabische’ en de Avondlandse beschaving kennen een evenwijdig verloop van opkomst, bloei en ondergang.
In feite was het verloop van onze geschiedenis in grote lijnen te voorspellen, en voor wat betreft de komende pakweg drie eeuwen die ons nog restten doet Spengler dat ook. Ons, dat is de westerse beschaving, met als basis Noordwest-Europa (boven de lijn Wisla – Guadalquivir), uitgewaaierd naar Noord-Amerika en verschillende plaatsen in andere werelddelen. Bijna alle grote ontwikkelingen in onze geschiedenis kennen hun tegenhanger in de meeste andere grote culturen. Zo is de ontwikkeling van de vier standen duidelijk aan te wijzen in o.a. de Egyptische, de Antieke en de Chinese cultuur: naast de boeren eerst adel en geestelijkheid, vervolgens ontstaat er de burgerij, en ten slotte de "massa". Ook de ontwikkelingen op godsdienstig gebied hebben hun parallel in bijvoorbeeld de Egyptische, de Antieke en de Arabische cultuur: katholicisme, hervorming, rationalisatie en ten slotte atheïsme; en op kunstgebied een soortgelijke ontwikkeling van eenvoudig naar uiterst verfijnd en ten slotte weer een degradatie tot een vrijwel kunstloze beschaving.

Dat laatste is een heel duidelijk kenmerk van de tweedeling die Spengler ziet in alle beschavingen: de eerste periode is de cultuur, met een bloeiende kunst en godsdienst, de tweede is de beschaving, een door de rede gestempelde samenleving. En heeft hij geen gelijk voor wat betreft het Avondland? Er is geen grootse bouw-, schilder-, beeldhouw- of muzikale kunst meer. Wat er nog rest is fragmentarisch.
Overigens gebruikt Spengler voor "beschaving" het woord "Zivilisation", dat letterlijk "verburgerlijking" betekent. Dit is ook een kenmerk van de laatste fasen van een beschaving: trek van het platteland naar de stad en ontwikkeling van een massa zonder onderlinge samenhang.

Wij bevinden ons aan het begin van de eenentwintigste eeuw in de aftakelingsfase van onze beschaving. En nu? Als dit ons lot is, moeten we dan Spenglers voorstel volgen en niet meer investeren in romantische zaken, maar ons richten op de rationele taken en kansen die horen bij onze cultuurfase: wetenschap en techniek? Neen, driewerf neen! Meer dan ooit heeft de samenleving behoefte aan 'zachte' waarden als tegenwicht tegen het doorgeschoten rationalisme; laten wij, of althans de kunstzinnigen onder ons, met de beperkte mogelijkheden die ons nog zijn overgebleven, inzetten op kunst, geloof, hoop, liefde, medemenselijkheid. Het nalaten daarvan zou de samenleving onleefbaar maken en onze ondergang verhaasten.
Wenn uns gar nichts mehr zusammenhält
verlöscht vielleicht das letzte Licht der Welt

Het begin van het einde was volgens Spengler de Verlichting; de Romantiek de laatste fase van de Cultuur, waarna onverbiddelijk de Beschaving zich ontplooit, met democratie, socialisme, imperialisme en een hoge vlucht van de techniek, uitlopend in een terugkeer naar het oude despotisme, waarna ten slotte de beschaving uiteenvalt.

Is dat ons lot? We zullen zien.

maandag 25 februari 2013

Hoe lang houdt het modernisme het nog uit?

In Schaduw van de werkelijkheid komt een aanhaling van Godfried Bomans voor, die in 1977 het volgende opmerkt:

De slinger is door het dieptepunt van het materialisme heengeslagen en de verschijnselen om ons heen worden met de dag geheimzinniger. We weten niet eens meer wat materie is. (…) En zoals de microcosmos zich steeds meer vernevelt, zo versluiert ook het heelal zich boven onze hoofden. Naarmate de wetenschap verder dringt, wordt de wereld steeds raadselachtiger. Wie de onderzoekingen van Whitehead, Hoyle, Russell en Eddington volgt, waant zich in een nieuwe mystiek. De toon van deze geleerden wordt ook steeds behoedzamer, alsof zij een tempel binnengaan. Er komt een huiver over de wereld. Wat uit deze rilling geboren wordt, valt niet te zeggen.

Niet alleen in de wereld van de natuurwetenschap is deze verandering merkbaar. Met de wijsbegeerte zijn we beland in het postmodernisme, waarin niets meer zeker is, en de betrouwbaarheid van de rede en ons waarnemingsvermogen al helemaal niet. Meditatietechnieken, oosterse godsdiensten, spiritisme en wat dies meer zij, worden ontdekt door een groeiende groep mensen. Goed, dat gaat om de mensen met een hoog EQ of SQ, maar het komt steeds dichter bij de minder gevoelige standaardmensen.
De geschiedenis herhaalt zich. Op de Verlichting volgt de Romantiek, op het modernisme volgt het postmodernisme. Het is dat soort noodzakelijke golfbeweging dat Bomans vergeleek met een slinger(uurwerk). In reactie op een eenzijdige werkelijkheidsbeschouwing volgt een andere eenzijdigheid. Om de scheefhangende boot in evenwicht te brengen lopen enkele vernieuwers van bakboord naar stuurboord, maar geleidelijk wordt hun voorbeeld door steeds meer mensen gevolgd, tot uiteindelijk de hele groep aan stuurboord staat en de boot weer even scheef hangt als voorheen, wat na verloop van tijd een beweging richting bakboord tot gevolg heeft. En de signalen dat onze tijd het verstand over- en het gevoel onderwaardeert worden steeds duidelijker en de roep om een einde aan de alleenheerschappij van het materialisme – de leer die stelt dat alles, ook geestelijke aspecten van het leven, bestaat uit materie, levenloze stof en dat zodoende de hele werkelijkheid verklaard kan worden in natuurwetenschappelijke termen – klinkt hoe langer hoe luider. Het begin van de verandering tekent zich al af.

Maar… het vreemde is dat dit proces al zo'n veertig jaar geleden begonnen is en nog steeds niet doorzet.
Als mijn door observatie en logisch nadenken gevormde intuïtie me niet bedriegt, ligt de oorzaak hiervan in een kracht die de geschiedenis in tegengestelde richting stuwt, een proces van eeuwen dat uiteindelijk de ondergang van de westerse cultuur zal bewerkstelligen.
Een belangwekkend onderwerp voor de volgende keer.

dinsdag 19 februari 2013

Streektaol

,,Moi.”
,,Heui.”
,,Goeie morge.”
,,Moarn.”
,,Morrègè, luikes.”
,,Hé, is dat bie joe ook zo, dat ‘t jonkgoud al moar minder plat proat?”
,,Aarger nog: bie ons praote de ouwere de streektaol al lang nie allemaol meer, um mer te zwiege van de jongeluu. Hooguut een mengseltsje. Zund eigelijks.”
,,Jah. Bie oans in Zeêland gae ’t nog wè, mè ok ier wor ’t minder. En oe stae ’t in Friesland?”
,,It Frysk is gjin dialekt, mar in taal. Dat is logysk, want it wie al de taal fan de âlde Friezen, yn ‘e tiid fan ‘e âlde Germanen. Folle letter kamen de Franken en de Saksen yn it lân en fan harren stamme de Nederlânske dialekten eins ôf.”
,,Wilste noe eigelijk zaage dat ’t Limburgs doarum ging zelfschtandige taal is?”
,,Ja, krekt, it is neat mear as ien fan de Frankyske dialekten. En yn in part fan Limburch wurdt sels in Saksysk dialekt praat.”
,,Dat gilt och vur Friesland.”
,,Da klopt, dus da zei êlemaele niks. Mè laete me gin eibel daerover maeke, wan me wete da de Friezen koppig bin, dus gunne me Bouke z’n taal en oans ieder z’n dialect. Twi talen lieke me genoeg voe een land as Nederland.”
,,Houveul dialecten binnen der wel nait?”
,,Veul.”
,,Mar jonges, is ‘t jullie ook opgevalle datter de leste tied evezogoed hoe langer hoe meer andacht liekt te komme veur streektaole?”
,,Dat è me an de Tukkers te danken mie uldere rampestampmeziek…”
,,Mèr och televisie-luuj, journaliste en zoe zunt doavör geïnteresseert.”
,,Zekerwoar. Want al dij losgesloagen nijmoodse mensen goan weer zuiken noar heur worrels, en zo kommen ze weer oet bie heur geboortegrond, mit zien biezundere omgeven, streekprodukten, cultuur en toal.”
,,Loat ver hoape dat dat hilpt um de schtrieëktale vör ’t oetschtèrve te beschèrme.”
,,We hoeven ‘t niet te laote bie hope, waant we kunnen um te beginne onze kiender tweetaolig groôtbrenge, zodasse d’r eige taol grondig kenne veurdasse op school komme.”
,,En ineêns voorlôpe op are guus die a nie wete wat a een dulve ís, een puut of een roenkel, of wat a "onstrant" betêkent of  "snokke".”
,,Of "fokseln", "wiereg" of "gramieteg", en al net zo min wat bèrgoud is, of de schuddelbaank of een til.”
,,En ze hên vast nog nooit geheurd van "lobbe", "boesterig" of "smirke" en ze snappe niet waor of je ‘t over het as je zeit dat ze d’r kleer krang an hên. En wie mot de kiender lere wat krupers bin, wat een wirve is, of haozebrôôd, of de akkerman?”
,,En went ver ze gee Limburgs mie liere da weete ze neet ins mie wat unne telder is, of de wichter, of wat ver noe eigelek dunt went ver an ’t vlemme zunt of an ’t kalle.”
,,En wa fan bûten Fryslân wit wat "rinne" betsjut, of "boppe"? Likemin as dat se witte wat in kaai is of in tût, in stikelbaarch of in hynsteblom.”
,,En Petronella, jie bin schooljuffrouw. Besteej jie d’r in de klas andacht an?”
,,Jah, zovee meugelijk. Eigelijk motte aolle lessen in ’t Nederlands ‘egeve worre, mè di trok ‘k me van eigens niks van an. Alleêne de taallessen doe ‘k in ’t Nederlands.”
,,As it dy slagget...”
,,Beljaet, ’t Zeêuwse accent raek ‘k noait kwiet. En dat wil ik ok nie. En zei noe zelf: wat is t’r moaier as ’t Zeêuws?”
,,’t Limburgs.”
,,Frysk fansels.”
,,Hai, der gaait niks boven Grunnen en ‘t Grunnegers.”
,, En jie, Evert? Mô jie nie voe ’t Veluws opkomme?”
,,Hettat nut? Meschiejn vien’k Zeeuws ok wel de mooiste taol. Maar in al geval is Veêluws – of Valleis, of westelik Nedersaksies, net zo je ’t hete wul, de streek waor Saksies, Fries en Frankies bie makaor komme – nog stukke mooier as Staandaordnederlaans.”
,,Om moar te swiegen van 't Engels.”
,,Juust. Mit joe kan ‘k praote.”

maandag 11 februari 2013

Christenvervolging?

Een Wikipedia-artikel over christenvervolging is wel erg misplaatst. Wikipedia is objectief, en christenvervolging is subjectief, ja een waanbeeld, zelfbeklag. Geloof je nou echt dat er plaatsen op de wereld zijn waar je gemarteld of vermoord wordt omdat je christen bent? Allicht niet. Christen zijn is geen misdaad, al is het misschien niet slim, maar dat terzijde.
Kijk naar ons verdraagzame Nederland, want Nederland = tolerant. Iedereen, dus ook christenen, is vrij om naar eer en geweten zijn of haar beroep uit te oefenen, of gewoon z'n ding te doen. Of je nu arts bent, of ambtenaar, of bouwvakker, als je uit geloofsovertuiging iets wel of juist niet wilt doen oogst je alleen maar waardering.
En zo is het in de rest van de wereld ook. Als iemand zich bekeert tot het christendom wordt dat gewaardeerd, of op zijn minst gerespecteerd. Een islamitische gemeenschap ziet een christen als een waardevolle aanvulling, en boeddhisten en hindoes evenzo op hun geloof en een communistische maatschappij ziet hen als een fraaie opfleuring, de krenten in de pap, zeg maar. Nergens verlies je door christen te worden status of maatschappelijke positie, laat staan dat er gevangenisstraf of zelfs de doodstraf op staat.
En zo is het altijd geweest. Christenen zijn als burgers altijd zeer gewaardeerd. Het spreekt vanzelf dat het christendom ten tijde van het Romeinse Rijk niet zo hard groeide door onderdrukking, maar juist door toejuiching en aanmoediging.
Als ik het goed zie komt het hele idee van christenvervolging voort uit een bijbeltekst, een uitspraak van Jezus, die iets gezegd zou hebben in de trant van "zij zullen u vervolgen". Elke bijbelprofetie moet natuurlijk vervuld worden, en om de vervulling van deze profetie te realiseren is het hele complex van mythen over christenvervolging in verleden en heden uitgedacht, compleet met ranglijsten, 'ooggetuigenverslagen' en dergelijke van christelijke organisaties. Volslagen waanzin.

maandag 4 februari 2013

Volg de spelregels

Ik hoor soms zeggen dat christenen niet evangeliserend genoeg zijn. Wat nou, denkt u misschien, nog veels te veel naar mijn zin. Maar dat negeer ik even brutaalweg en vraag me dan hardop af wat de oorzaak van eerstgenoemde uitspraak kan zijn. Is het geloof voor veel christenen gewoon niet belangrijk genoeg om er met anderen over te praten, of zijn ze bang voor een afwijzende reactie, of hebben sommigen misschien al genoeg van dergelijke afwijzende reacties gekregen om nog illusies te koesteren dat het enige zin heeft om ongelovigen van de meerwaarde van het geloof te overtuigen?
Dat laatste valt ook niet mee, moet ik zeggen. Er zijn heus wel christenen, heel wat zelfs, die door het geloof werkelijk gelukkig geworden zijn, voor wie het echt toegevoegde waarde heeft, maar ook de tegenvoorbeelden zijn er, en je kun ook van willekeurig welke andere liefhebberij gelukkig worden, zij het op een ander niveau.
Het grootste verschil zit hem echter in het hiernamaals – en daarover zijn zelden of nooit getuigenverklaringen te horen. Wel hebben christenen uit betrouwbare bron redelijk wat gegevens daarover kunnen vernemen, alsmede de spelregels die gelden in de kosmische wedstrijd waarin mij met z'n allen verwikkeld zijn.
Is er een hemel en een hel? Ik ben overtuigd van wel. Niet erg modieus, hè? Des te groter is de kans dat ik gelijk heb. Of nou ja… het gaat niet om mijn gelijk, maar om dat van een groot deel van de wereldbevolking. En ook dat is op zich niet van belang. Het is overigens een teken aan de wand dat steeds meer christenen vraagtekens zetten bij het bestaan van de hel. Maar het probleem is dat zij niet meer begrijpen waar het om gaat. Het gaat om rechtvaardigheid.
Hier in het Nederland van de eenentwintigste eeuw hebben we makkelijk praten, maar leg je oor eens te luisteren in Zimbabwe, Iran, Noord-Korea, het Spanje van de zeventiende, het Nederland van de achttiende of het Duitsland van de twintigste eeuw, om maar een paar willekeurige voorbeelden te noemen. Grote kans dat je dan overtuigd raak van het belang van een laatste oordeel, waar dingen rechtgezet worden waarop kleine mensen geen invloed kunnen uitoefenen.
Het kan best wezen dat de Opperrechter dan iets andere maatstaven aanlegt dan wij zouden doen, maar vermoedelijk heeft Degene die kien genoeg was om de onmetelijke kosmos uit te denken tot op het niveau van atomen en wie weet hoeveel dieper nog, ook wel nagedacht over de maatstaven voor rechtvaardigheid. Een deel, misschien een samenvatting daarvan, is ooit vastgelegd in de onontkoombare Bijbel. Misschien ben je nog niet helemaal overtuigd,
maar als dit alles wél bestaat
is het voor jou nog niet te laat.
(Dat geldt ook voor jou, Jan.)
Het gaat er alleen om de wedstrijd te spelen volgens de regels van het spel. En verkijk je niet op het kleine zichtbare stukje van de werkelijkheid,
want de hemel is niet hier;
drink dat niet weg met wijn en bier…

maandag 28 januari 2013

Vrouw sonder haor

Mien grôôtvaoder had de stal nog vol staon mit echte koên. Prachtige beeste: zwartbont, rôôdbont, zwarte ruggelings, rooie ruggelings en een enkel keer nog wat aanderst. Bie wienterdag stinge ze op stal, bie zoemerdag liepe ze in 't laand. In de maarge en tegen de aovend wiere ze dan in 't melkhok emolke – mit de haand, vanzelf, dat was 't waore melke: je had echt 't geveul mit 't vee en je mos je best doen um de melk, waorof je 't as boer van hên mos, d'ruut te kriege.
Dan mot je vandaog 's kieke. De koên lopen 't hêêle jaor deur op stal en ze wörren emolke deur een robot. Da's toch zukke naomaok. Ze stappe in de robotruumte, 't hekje gaot achter ze dicht, de masjien doet 't waark, de koei kriegt een krek of'emete bietje brok te vrete en as de melk d'ruut is gaot 't veurste hekje weer ope, de koei stapt eruut en de masjien gaat z'n eige weer reemaoke veur de volgende koei. Bar makkelijk veur de boer, mer zo heel iezig nep. De koên bin zelf een melkrobot ewörre.

Dat ku'je al ziejn an de koên. Instee van vier, vijf kleurslaoge is de hêêle koppel zwartbont, instee van twientig koên lope d'r noe zeuventig, tachentig of nog meer en 't aargste is dat d'r hores v'rdwene bin. Een koei heurt hores op z'n kop te hên; dat het 'ie van neture en heel zeker niet veur niks.
't Schient dat de hores een hoop v'rschillende taoke hên, beveurbeeld bie de v'rtering van 't gres dat de koei vreet en um z'n richting te bepale in de vrieë netuur. Mer 't belangriekste is wel dat hores bie runder een v'rdedigingsmiddel bin en dan begriep 'ie dat ze daor zelfv'rtrouwen uut kriege. En da's noe juust wat een moderne boer nie aalsteveul hên wul bie z'n vee. Waant een koei mit 'n eige aord, da's nie haandig in 'n loopstal: ze gaon vechte mit mekaor en as je pech het ok nog mit joe.
En durrum onthoorne de boere vandaog de dag de kalver. Da's niks aarg leuk veur die beesjes. Onv'rdoofd onthoorne is niks aanderst as dierebeûle. De meeste kere gebeurt 't tegenwoordig wel v'rdoofd, mer dan nóg, as de v'rdoving uut'ewaarkt is, dan hen de kalver d'r best een heel bietje last van.
Goed, da's hooguut een paor daoge, mer d'r heêle veedere leve hen ze d'r last van dasse v'rminkt bin – of eigelieks hen ze daor heel gien last van, waant 't bin kerakterlôôze botmulen ewörre, slome stomme beeste die niks aanderst wete as vrete, slaope en de melkrobot deur lope. Ze ziejn d'r ok nie uut, die lilleke domkoppe. Een koei sonder hores is as een vrouw sonder haor.

Trug nur de tied van mien grôôtvaoder, mit haandmelke en een klein bietje vee, kunne ve nie meer, al zou 't heel nie v'rkeerd weze. Mer toch zou de laandbouw in ons laand z'neige motte bezinne op de goeie dinge die v'rlore bin en mit een bietje goeie wil wél weer trug'ehaold wörre kun. En daor heuren ok echte koên bie. 'n Bietje boer kan 't veur mekaor kriege – daor bin ok in Nederlaand nog genog veurbeelde van. 't Kost wat, mer dan he' j' ok wat: een mooier plaotje op de melkpakke en beeste mit kerakter in 't laand.

maandag 21 januari 2013

Negers, zigeuners en Hottentotten

Dit is nu zo'n opmerking in Schaduw van de werkelijkheid die vraagt om nadere uitwerking: dat het verbieden van negerzoenen is bedacht door een rasechte rassist.

Voor mij, groot bewonderaar van indianen, is de naam "indiaan" een erenaam; een naam die de hedendaagse indianen in Noord-Amerika eigenlijk niet meer verdienen, maar die door hun roemrijke voorouders zozeer is geheiligd dat hij in eerste instantie slechts gunstige associaties oproept. Voor anderen heeft het woord "indiaan" echter een negatieve klank en ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat die wordt veroorzaakt door een afkeer van hetzij de hedendaagse, hetzij de vroegere, hetzij alle indianen. Wie een betere verklaring weet mag reageren.

Hetzelfde geldt voor negers. Voor een rassist die een neger als minderwaardig beschouwt ten opzichte van hemzelf – vrijwel ongetwijfeld een blanke – of iemand die teveel in de nabijheid van dit blanke gespuis verkeert zal het woord "neger" een ongunstige klank hebben. Het zij genoeg er hier aan te herinneren dat het scheldwoord voor neger "nikker" luidt, of "zwarte" –ziehier een spiegel om uzelf nader te beschouwen. En wees eerlijk: een 'bleekgezicht' mist iets.

Om de één of andere reden zijn zigeuners de eeuwen door in het verdomdenhoekje gezet en zodoende verschuilen ze zich tegenwoordig onder de naam "Roma" – maar is dat nodig? De Sinti zullen hier minder blij mee zijn. En zelfs al zou het woord "zigeuner" een ongunstige herkomst hebben, dan nog hangt de bijklank af van je eigen instelling.
Met Hottentotten is het geval nog duidelijker. Hun naam danken ze aan hun karakteristieke taal en is een soort klanknabootsing daarvan, wellicht grappig bedoeld. Vervolgens zijn ze gediscrimineerd als een minderwaardig ras en nu wordt hun naam verbonden aan dat verleden en als pejoratief beschouwd – een lesje logica zou op z'n plaats zijn.
De Bosjesmannen zijn er al niet veel beter aan toe. Goed, misschien is die naam oorspronkelijk wat denigrerend bedoeld, maar waarom zouden wij, verlichte westerlingen, nog steeds neerkijken op deze oudste bewoners van zuidelijk Afrika en dus hun naam als neerbuigend ervaren? Onder ons bevinden zich ook mensen die liefst in bosachtig gebied wonen, of aan zee, of in de stad – de één is niet minder dan de ander. Vraag het anders aan henzelf; grote kans dat ze liever Bosjesman genoemd willen worden dan San = buitenstaander.

Een mens zou moedeloos worden van dit kansloze gebedissel van zelf-ontkende rassisten en terecht behoefte krijgen aan troost in de zoen van een negerin; of anders een negerzoen, maar waar kun je die nog krijgen?

maandag 14 januari 2013

Asociale media

Sinds Haren en Tim Ribberink weet heel Nederland hoe schadelijk de zogenaamde sociale media zijn. Niet meer nodig dus om daar nog woorden aan vuil te maken – zou je denken? Was 't maar waar. Is het gebruik van Facebook, LinkedIn, twitter, msn en wat dies meer zij met de helft afgenomen? Zo lang dat nog niet het geval is blijft een waarschuwing (een vermanend vingertje, als je wil) op z'n plek.

Hoe verstandig is het om als jongere net als de massa achter technische hoogstandjes en hebbedingetjes aan te lopen? Behalve de gevaren van kuddegedrag (zie mijn bericht van 12-11-12) zijn er nog andere, ernstiger nadelen te noemen.
Sociale media  functioneren niet meer als losstaande hulpmiddelen in hun omgeving, maar vormen voor de jeugd inmiddels zelf de omgeving of werkelijkheid, aldus een rapport van Stichting Reclame Rakkers. Uit onderzoek blijkt dat er een verband bestaat tussen 'sociale' media en gezondheidsproblemen, om maar een voorbeeld te noemen. Gunstige bijwerkingen als vergroting van contactuele vaardigheden, ruimdenkendheid en zelfwaardering hebben tegelijk hun keerzijde. Kijk eens naar de tien punten op www.frankwatching.com/archive/2010/04/08/asociale-media-10-kanttekeningen-bij-social-media.

Annerieke Schreuder, een jonge ex-Facebook-gebruikster, beschrijft een scenario waarin leerlingen hun zin krijgen en de hele les mogen 'laptobben': oordopjes, digitale beloningen en berispingen, digitale i.p.v. papieren vliegtuigjes, alle gelegenheid voor pesterijen en na schooltijd geen huiswerkbegeleiding, maar anti-rsi-training. Aan het eind van de les vermag geen roepen, fluiten of stampen, maar slechts het lostrekken van de netwerkkabels de leerlingen terug te roepen naar de werkelijkheid.

Een bericht met dezelfde naam als het onze op www.habakuk.nu verwijst naar een boek van Sherry Turkle, met als kernboodschap: sociale media maken je niet méér, maar mínder mens. Fantaseer zelf maar even verder over hoe die (d)evolutie zich dan de komende decennia zal voltrekken en wat het eindresultaat zal zijn.

Wie het tijdschrift Boerderij kent, kent Opa, de sympathieke (en soms komische) oude boer uit Bovenscheveen, die temidden van alle nieuwe ontwikkelingen zichzelf blijft. Enige tijd geleden was hij samen met zijn oude vriend de dokter op vakantie in Spanje, waar hij tot zijn onaangename verrassing neef Herman ontmoette. Herman pochte namelijk voortdurend op de nieuwste technische snufjes die hij had weten toe te passen in zijn bedrijf of waar dan ook.

Helaas voor Opa zit hij ook de terugreis met Herman opgescheept. Terwijl ze Bovenscheveen naderen voert Herman het hoogste woord: ,,Ze hebben me gebeld, ge-sms't, ge-msn'd, gelinkt, geliked, getwitterd, gefollowed…” Hier heeft Opa weinig tegenin te brengen. De auto nadert Opa’s boerderij en voor het huis staat de familie met een groot spandoek: "WELKOM THUIS, OPA" – en Opa’s repliek is kort: ,,Ze hebben me gemist.” 

donderdag 27 december 2012

De stille genocide

Max, Sanne, Lotte, Leon, Arthur, Bas, Benjamin, Sofie, Julia, Patrick, Abdul, Hidde, Daan, Ruben, Tim, Emma, Iris, Femke, Isa… Waar zijn ze gebleven? Wat zouden ze nu doen als ze nog leefden? Zaten ze op school, hadden ze een eigen bedrijf, een fijn gezin, een goede baan in het onderwijs, de zorg of de bouw?

Zonder dat er aandacht aan gegeven wordt, worden er in Nederland meer dan 32.000 kinderen per jaar koelbloedig vermoord, waarvan 99,8 % jonger dan een jaar. In Europa worden per dag 3300 kinderen vermoord die nog geen daglicht hebben gezien. Wereldwijd krijgen elke dag 126.000 kinderen de doodstraf zonder ooit één strafbaar feit te hebben gepleegd. Herodes was er niets bij.

Hoe is het mogelijk dat de wereld die geschokt reageert op de moord op twintig kinderen op een Amerikaanse school nonchalant de schouders ophaalt bij of zelfs instemming betuigt met het gegeven dat in datzelfde land per dag bijna 3300 ongeboren kinderen worden vermoord!
De Amerikaanse Judie Brown merkt op: "It seems that, as a whole, our country is getting really good at fooling itself into thinking whatever it wants and justifying whatever actions it wants to take. There is no right and wrong, only what feels good. There are no values about the sanctity of life, only what’s best for “me.” Morality has nearly gone the way of the dinosaurs."

Hoe is het mogelijk: zonder er ooit over nagedacht te hebben vindt de massa – makke schapen, dooie vissen, insectenlarven? – het vanzelfsprekend dat een 17-jarige aanstaande moeder het recht heeft haar kind te laten weghalen als ze dat wil. Waar halen wij het recht vandaan?
Stel je voor: ook jij was de eerste maanden van je leven vogelvrij. Heeft toch niet elk menselijk leven recht op bescherming? De vergiftigingen zijn aan de orde van de dag, om maar te zwijgen van gruwelijker methoden. Ga voor de grap eens kijken bij de afvalverwijderingskanalen van een abortuskliniek.
Maar de wereld sluit haar ogen – nee, niks gezien. Ook niets gehoord?
            Ik hoor ongeboren baby’s gillen in een vuilniszak
            aan een wrede god geofferd op het altaar van gemak…

Steeds meer landen gaan door de knieën voor de moordzuchtige abortuspropagandisten. Ierland, houd stand! Nederland, word wakker en zie hoe ongerijmd het is dat een brute seriemoordenaar en verkrachter hooguit een levenslange gevangenisstraf krijgt, terwijl een onschuldig kind zomaar de doodstraf kan krijgen. Wrijf je ogen uit en schaam je diep.

maandag 24 december 2012

Niks mooiers as vaarkes

Wurrum hên vaarkes zo'n slechte naom? Bin ze te smerig? Da valt zat mit; vaarkes bin zindelijker as koên. En ze smaoken ok goed, al schient vaarkesvlees dan wat minder gezond te weze. Gevaorlijk? O jewel, dat ku'je sums wel zège van 'n volgreuide beer, mar niet meer as van aandere groôte diere, in al geval de mannetjes. Dom? Nee, waant nao Animal Farm erkenne ve dat vaarkes slim bin. En bovendiejn: vaarkes hên kerakter.

Al wörde de meeste mestvaarkes bie ons tegewoordig gehoue mit een stuk of tien in een krap betonne hok, ze bin nie afgestompt, ze behoue d'r goeie humeur. Ze wörde nie knörrig, zogezeid.

Ik het in 't boek verteld dat ik grèèg in de vaarkesstal waark. Wie deze beeste leert kenne, die gaot ze waordere. Stap mar 's in een hok vol vaarkes. D'r eerste reaksie is wegstuve, zeker as ze nog jong bin – mit 't ouwer wörde, wörde ze onverstoorbaorder, onverschilliger – mar zwat drek bin d'r een paor die nieuwsgierig trugkomme en je besnuffele en netuurlijk al gauw in je leerze biete, waant ze kunne best verveêlend weze.
Mar ze hên kerakter. Dat ku'je ziejn, as je beveurbeeld an 't eind van de dag 't rondje deur de stal loop um te ziejn of ze allemaol nog gezond bin. Dan mo'je ze stuk veur stuk effe ankieke, en dan zie je dasse haost allemaol verschillend bin, in d'r uterlijk en in d'r doên. De eên het een spitse snuut, de aander een rondere. De eên is bangachtig, de aander brutaol en een darde trekt zich naarges wat van an. Kiek, meschiejn moste ve daor es een veurbeeld an neme. Of meschien ok niet, dat leit eran.

Mar 't mooiste is 't toch as die speulse beeste, die booiemonderzeukers, een bietje bute of in een groôt strooihok kunne scharrele. Dan kom je d'r pas echt achter wat veur beesten of 't bin. Da's gewoôn een aorigheid. Eigeliks zou dat verplicht motte wörde.

zaterdag 15 december 2012

Kroniek van een boerenleven

Altijd al willen weten hoe boerenkaas gemaakt wordt, wat een maalschap was, hoe voedsel bewaard werd toen er nog geen diepvriezers en supermarkten waren, hoe gras gemaaid werd toen er nog geen trekkers waren? Nog altijd op zoek naar het antwoord op de vraag hoe het precies zit met de 'boekweitmaan', wat de knollen eigenlijk waren waarover je opa wel eens vertelde, wat het woord "drung" betekent, welke klanken kenmerkend zijn voor het West-Veluwse dialect? Nieuwsgierig wat een grupstal precies is, welke vogelsoorten je zoal kunt tegenkomen rond een boerderij in de Gelderse Vallei, hoe die appels in de oude boomgaard ook alweer heetten?
Nu, dan heb ik goed nieuws: vanaf woensdag 19 december ligt het boek Evert en Betje. Kroniek van een boerenleven (ISBN: 9789087881887) in de winkel, een rijk geïllustreerd leesboek/naslagwerk waarin op tal van dergelijke vragen een antwoord te vinden is.
Misschien houd je van sterke verhalen; dan kun je lezen waarom Evert eens uitgescholden werd voor "rotboer"; wat hij deed toen hij een woeste stier aan een touw had en later toen er brand uitbrak; hoe Betje in de oorlog haar fiets uit handen van de Duitsers wist te houden.

Het nieuwste boek van Kees van Reenen vertelt de belevenissen van zijn opa en oma – die ook de mijne konden zijn, ook al vanwege de naam Evert – vanaf hun jeugd in de tijd tussen de wereldoorlogen tot in de jaren na hun trouwen, te midden van de stormachtige ontwikkelingen die het boerenleven na de Tweede Wereldoorlog doormaakte. Evert bracht zijn jonge jaren door op Groot Ravensgoed onder Zwartebroek, Betje op de Lunterse Kleine Voort en daarna met haar familie en later samen met Evert op Groot Butselaar tussen Lunteren en Barneveld. Deze drie boerenhofsteden spelen een belangrijke rol in het verhaal.
Maar het is niet alleen een verhaal over twee families en drie boerderijen, maar het is minstens evenzeer het verhaal van de verandering van het leven van een boer in Midden-Nederland en in zekere zin van het boerenleven in heel Nederland. De herinneringen van Evert en Betje maken deel uit van een veel groter geheel, ook in het boek. Het is een ode aan de harde werkers van toen die de grondslag van onze huidige welvaart legden.

Wie mij een beetje kent weet dat ik altijd op zoek ben naar toepasselijke muziek en ik weet geen nummer dat zo goed het gevoel weergeeft dat in het boek wordt verwoord als Ons durp, van Katinka Polderman. Het had evengoed kunnen gaan over een dorp in de Gelderse Vallei, in Noord-Brabant of Zuid-Holland als over het Zeeuwse 'Sgrabbekaarke', want het verhaal is overal hetzelfde, en daarom is ook een groot deel van het boek herkenbaar voor iedereen die iets met vroeger, boeren, cultuur, natuur of landschap heeft. Mét alle armoe en ellende verdwenen ook de gemeenschapszin en tal van oude ambachten, verarmden de natuur en het landschap.

’t Is ier prachtig – voe oe lank?
Ze bouwe mè en gae d’r gank;
een nieuwe wijk an d’n durpsrand.
De bômen an de weg, die moste plat,
de zwaelmen è d’r tied ‘ehad
en Goes kom aolmè dichterbie…

En dan, terugkijkend, het slotrefrein:

En langs de dreven van mien vaoder
zag ik de meidoorn’aegjes stae.
Ik was een kind - oe kon ik wete
a dat voegoed verbie zou gae?

maandag 10 december 2012

Het einde van de Maya-kalender

Eind van het jaar – einde der tijden?

De beruchte decembermaand is aangebroken – nu gaat het erom spannen… Niet toevallig werd Schaduw van de werkelijkheid gepubliceerd in 2012, het jaar van de grote speculaties rond de Maya-kalender die dreigt af te lopen.
De Maya’s, één van de grootste indianenculturen uit de oudheid in Midden-Amerika, kenden verschillende kalenders, waarvan de Lange Telling vaak als de belangrijkste wordt gezien. Deze kalender werkt met vijf eenheden, van de kin (dag) oplopend tot de baktun (144.000 dagen). Een volledige cyclus bestaat uit 13 baktun. Het tijdperk waarin wij nu leven is ofwel het tijdperk van de wereldgeschiedenis, ofwel het laatste van een reeks.
Volgens sommigen vergaat de wereld op 21 december 2012; volgens vele anderen komt er een nieuw tijdperk waarin alles beter wordt: een verhoogd bewustzijn (wellicht verleend door buitenaardse wezens), waardoor mensen niet meer aan oorlog denken en er wellicht zelfs geen regeringen meer nodig zijn.
Jaren geleden al werd de passage van Nibiru berekend voor het jaar 2012. Nibiru is de naam van een Sumerische godheid, maar zou ook de naam zijn van het twaalfde lichaam van ons zonnestelsel (Zon en Maan meegerekend), een verre planeet (of komeet?) met een omlooptijd van 3600 of 2148 jaar. Archeologisch onderzoek zou uitwijzen dat elke paar duizend jaar een grote droogte of andere klimaatramp een nieuw tijdvak inluidde, om te beginnen met de Zondvloed, ongeveer 13.000 jaar geleden, mogelijk veroorzaakt doordat Nibiru op korte afstand de aarde passeerde.

De Maya’s zelf voorspelden de komst van Bolon Yokte, de god van de negen onderwerelden, op 13.0.0.0.0. Dit is de notatie van de datum waarop er precies 13 baktuns ten einde zijn, een periode van ongeveer 5125 jaar, gerekend vanaf een bepaalde begindatum. De moeilijkheid is nu vast te stellen waar die begindatum ligt. Gezien de spaarzame archeologische gegevens, het gebruik van verschillende tijdsrekeningen door de Maya’s en de onzekerheid veroorzaakt door de verschillende perioden die de Mayacultuur omspande, bestaat hierover onder Maya-kenners veel verschil van mening.
De gangbare opvatting, die vanaf het begin van de twintigste eeuw werd verdedigd door Goodman, Martínez en Thompson de (GMT-correlatie) plaatst het beginpunt in 3114 v. Chr. en daarmee het eindpunt in ons jaar 2012, om precies te zijn op 21 of 22 december. De eerste werd het meest aannemelijk geacht, o.a. omdat dat de dag is van de winterwende, waarop bovendien in 2012 de zon door de galactische evenaar (de middellijn van de Melkweg) gaat.
In de afgelopen jaren zijn er echter grote vraagtekens geplaatst bij de GMT-correlatie, en een wetenschapper als Andreas Fuls plaatst de begindatum ruim 200 jaar later, om uit te komen op het jaar 2220 als einde van de cyclus.

Kortom, grote kans dat we nog even moeten wachten en dat niet wij, maar onze achter-achter-achterkleinkinderen het einde zullen meemaken van… tja, waarvan? Van de Maya-kalendercyclus, maar ook van de wereld?
Talloze anderen voorspellen het einde van de wereld door niet gegevens van de Maya’s, maar uit de Bijbel als uitgangspunt te nemen. Winfried Kohn, een sekteleider uit Het Godsgetal van Ouweneel, was zo iemand. Met ingewikkelde berekeningen en tal van aanwijzingen concludeerde hij dat het einde van de wereld zou plaatsvinden in het jaar 2002. Zijn redenering was overtuigender dan die van vrijwel elke andere eindtijdvoorspeller, maar zijn profetie bleek niet uit te komen. “Die dag en dat uur weet niemand”, hield Jesjoea Zijn volgelingen voor, voor wie hij een slipje van de sluier die over de eindtijd ligt had opgelicht. “Die dag en dat uur weet ik ook niet, maar wel het jaar,” merkte een halve eeuw geleden iemand op. O ja – gebeurt het dan binnen tien jaar? “Over tien jaar is alles weg.” Inmiddels is er nog steeds niets gebeurd – nou ja, er gebeurt wel veel, de gebeurtenissen volgen elkaar steeds sneller op en er is reden te denken dat het einde van de wereldgeschiedenis geen 200 jaar meer op zich zal laten wachten.

maandag 3 december 2012

Wonderen (slot)

Vorige week maakten we kennis met een ongewoon groot aantal bovennatuurlijke gebeurtenissen en we vragen ons af of dergelijke wonderverhalen geloofwaardig zijn, realistisch, of ze werkelijk kunnen hebben plaatsgevonden. Het antwoord op die vraag is te vinden in het boek Wonderen van C.S. Lewis. In deze bijdrage zal ik zijn redenering samenvatten, wat onvermijdelijk een verzwakking van de bewijsvoering inhoudt, dus wie na lezing van dit stukje niet overtuigd is raad ik sterk aan het boek zelf te lezen.

Grondtegenstelling is die tussen het naturalisme, dat gelooft dat de ons omringende natuur "de hele werkelijkheid" is, en het supranaturalisme, dat gelooft dat er naast of boven onze natuur een onafhankelijk 'Ding' bestaat dat de oorzaak is van het bestaan van onze natuur, en daarnaast misschien nog één of meer andere 'naturen'. Grote vraag is: wie heeft het bij het langste eind? Als het naturalisme gelijk zou hebben is elke gebeurtenis verankerd in oorzaken en gevolgen binnen het natuurstelsel. Ook ons denken zou niet meer zijn dan een voortvloeisel van rangschikking van atomen en natuurlijke krachten. Het gevolg is dat geen enkele gedachte tot waarheid kan leiden, want "kennis van de zaak is geen onderdeel van de zaak". De enige manier om stellige uitspraken te doen over de werkelijkheid is dus door erkenning van het feit dat onze rede iets moet zijn dat van buiten onze natuur komt. Dat is echter alleen mogelijk als de werkelijkheid naast de natuur een bovennatuur 'bevat', vanwaaruit ingegrepen kan worden in de natuur. Sterker nog: het bovennatuurlijke 'Iets' moet ook buiten de tijd staan en dus eeuwig zijn, en – doorredenerend – onze natuur uitgedacht en in elkaar gezet hebben. Daaruit volgt dat dit Wezen concreet moet zijn, want een abstractie kan geen concrete wereld scheppen.
Daarnaast blijkt er nog een tweede bewijs te zijn van een bovennatuurlijke oorsprong van een deel van onze geest: de 'universele moraal'. Hoe is het mogelijk dat vrijwel iedereen – ongeacht levensbeschouwing – wreedheid, verkrachting, diefstal, pedofilie, mensenhandel en uithongeren van armen en afkeurt? Een naturalist vergeet hier zijn theorie even, want welke 'weldenkende mens' durft nog te beweren dat een groep die kannibalisme, dierenmishandeling, martelpalen, weduwenverbranding, abortus provocatus of het gebruik van chemische wapens goedkeurt niets slechter of immoreler is dan een groep die deze dingen afkeurt? (Immers, de ene vorm van moraal kan niet 'juister' zijn dan de andere.) Conclusie: ook het geweten is geen product van de natuur. En dus: door de menselijke geest loopt de grens tussen natuur en bovennatuur.

Als er dus een bovennatuurlijk Wezen is dat invloed heeft in de menselijke geest, dus kan ingrijpen in de natuur, dan heeft de natuur ook geen verweer tegen andere bovennatuurlijke gebeurtenissen – wonderen; hetzij vanuit de hoogste Oorsprong (God), hetzij vanuit eventuele andere natuurstelsels. Anders gezegd: de mogelijkheid van bovennatuurlijke gebeurtenissen behoort tot het wezen van de natuur. Wonderen gaan bovendien niet in tegen de natuurwetten, maar staan er los van en worden na plaatsvinden door de natuur meteen opgenomen in het stelsel. Je zou wonderen kunnen zien als vrijheden die een kenner zich veroorlooft, zoals bijvoorbeeld alleen een bekwaam componist de muzikale regels 'mag' schenden.

Vervolgens rijst de vraag: hoe waarschijnlijk is het dat wonderen gebeuren? Als wonderen intrinsiek waarschijnlijk zijn moeten ze belangrijk inzicht verschaffen in de werkelijkheid, zoals het alleen waarschijnlijk is dat een gevonden fragment het ontbrekende deel is van een belangrijk geschrift als de tekst aansluit bij het overige van de tekst en dat verklaart. Individuele wonderverhalen moeten zodoende congruent zijn met de één of enkele belangrijkste wonderen die de werkelijkheid verklaren.
Het centrale wonder nu is de menswording van Christus. Deze gebeurtenis blijkt vele elementen in de natuur te verklaren: bovennatuurlijke elementen in de menselijke geest, afdaling-en-opklimming (graangoden), verkwisting en selectiviteit, plaatsvervanging. Andere wonderen, zoals die welke Jesjoea op aarde deed, zijn ofwel een terugwijzing of 'brandpunt' van wat God al in het groot gedaan heeft, ofwel een vooruitwijzing naar een toekomst waarin de natuur niet langer in opstand is tegen de menselijke geest, maar die integendeel – met wederzijds voordeel – volledig gehoorzaamt.